Op 17 april 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland een vonnis gewezen in een strafzaak waarin schadevergoeding aan benadeelde partij werd toegewezen. Na de uitspraak bleek dat in het dictum een fout was geslopen: de naam van een andere benadeelde partij was abusievelijk genoemd bij de toewijzing van de vordering van benadeelde partij 1.
Deze kennelijke misslag maakte executie van de beslissing onmogelijk. Daarom heeft de rechtbank op 23 april 2026 een herstelvonnis uitgesproken om het dictum te corrigeren. De rechtbank handhaaft de beslissing van 17 april 2026, maar wijzigt het dictum zodat de schadevergoeding van € 2.357,-, bestaande uit € 657,- materiële en € 1.700,- immateriële schade, correct wordt toegewezen aan benadeelde partij 1.
De verdachte is veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 augustus 2024 tot volledige betaling. Bij niet-betaling wordt de betalingsverplichting aangevuld met 33 dagen gijzeling. Tevens is de verdachte veroordeeld in de kosten, die tot op heden nihil zijn begroot. Het herstelvonnis is aan het originele vonnis gehecht en ter kennis gebracht aan alle betrokken partijen.