Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, maar verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. Het beroep is ingediend nadat verweerder in gebreke was gesteld en de wettelijke beslistermijn was verstreken.
De rechtbank Midden-Nederland is bevoegd om op het beroep te beslissen en heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat dat niet nodig was. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk 27 april 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht.