ECLI:NL:RBMNE:2026:1806

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/5792
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 3.1 WhtArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet private mutatie- en stortkosten overnemen in kinderopvangtoeslagaffaire

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, vroeg de minister van Financiën om overname van diverse private schulden, waaronder mutatie- en stortkosten verbonden aan haar voormalige huurwoning. De minister nam de schulden deels over, maar weigerde de mutatie- en stortkosten omdat deze volgens haar voorkomen hadden kunnen worden.

De rechtbank beoordeelde dat de weigering van deze kosten geen wettelijke grondslag heeft. Artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bevat een limitatieve opsomming van schulden die niet worden overgenomen, waarin mutatie- en stortkosten niet zijn opgenomen. De minister baseerde haar weigering onterecht op de Memorie van Toelichting, die geen zelfstandige juridische grondslag vormt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover de mutatie- en stortkosten van € 1.531,50 zijn geweigerd. De minister wordt verplicht deze kosten over te nemen. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten van in totaal € 3.200,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit en vereist geen nieuw besluit van de minister.

Uitkomst: De minister moet de mutatie- en stortkosten van € 1.531,50 overnemen en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.C. van Kasteren),
en

De minister van Financiën (de minister),

verweerder
(gemachtigde: mr. S. Salhi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om het volledige bedrag aan private schulden over te nemen. De minister heeft de schulden overgenomen met uitzondering van de kosten om de (voormalige) huurwoning van eiseres na ontruiming in de oorspronkelijke staat terug te brengen (mutatiekosten) en de stortkosten. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek tot overname van de mutatie- en herstelkosten ten onrechte heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen. In dat kader heeft zij een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om haar schulden over te nemen. Op de schuldenlijst staan diverse schulden, waaronder een schuld aan Woningstichting Beter Wonen.
3. Met het besluit van 11 maart 2025 heeft SBN de aanvraag van eiseres voor overname van de schuld aan de Woningstichting van in totaal € 5.434,85 overgenomen tot een bedrag van € 3.903,35.
4. Met het besluit van 27 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de overname van de mutatie- en stortkosten gebleven. De overname van de mutatiekosten van € 956,- en de stortkosten van € 575,50 heeft SBN geweigerd, omdat deze kosten voorkomen hadden kunnen worden.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres (met behulp van een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Toetsingskader

7.1.
De vereisten waaraan een schuld moet voldoen om voor overname in aanmerking te komen staan in artikel 4.1., tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Uit dit artikel blijkt dat geldschulden worden overgenomen als:
- zij zijn ontstaan na 31 december 2005,
- opeisbaar waren voor 1 juni 2021, en
- niet voldaan zijn op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
7.2.
Op grond van het derde lid van artikel 4.1. van de Wht -voor zo ver hier van belang- zijn geldschulden en kosten die worden overgenomen:
“a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
(…)
d. de bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten.”
7.3.
In het vierde lid van artikel 4.1 van de Wht is opgesomd welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen. Dat zijn:
“a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming;
e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend; of
f. een geldschuld die al is overgenomen van een aanvrager of diens partner of van een ex-partner”.

Beoordeling door de rechtbank

8. De minister legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat schulden die voldoen aan alle vereisten van artikel 4.1., tweede lid, van de Wht, in aanmerking komen voor overname, maar dat de mutatie- en de stortkosten vermijdbaar waren en daarom niet worden vergoed. Eiseres heeft namelijk nagelaten schade of gebreken vóór de ontruiming van haar woning te herstellen. In de betekening van het ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 29 december 2014 is eiseres erop gewezen dat, indien zij nalaat aanwezige gebreken te herstellen, de kosten van herstelwerkzaamheden voor haar rekening komen. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister toegelicht dat de weigering om de mutatie- en stortkosten over te nemen steunt op de toelichting in de Memorie van Toelichting (MvT) bij de totstandkoming van de Wht [1] . Daarin staat dat schulden die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten niet worden kwijtgescholden of overgenomen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer het ontstaan van een schuld aantoonbaar verwijtbaar is aan de ouder of dienst toeslagpartner. Volgens de minister ziet deze passage uit de MvT niet alleen op publiekrechtelijke schulden, maar ook op private schulden en kunnen deze kosten daarom op deze grond worden geweigerd.
9. Op de zitting heeft de minister hier een nadere toelichting op gegeven en verklaard dat geen sprake is van een van de in artikel 4.1., vierde lid van de Wht genoemde weigeringsgronden. Gevraagd naar de wettelijke grondslag voor de weigering van deze schulden heeft de minister verklaard dat deze uitsluitend is gebaseerd op de uitleg in de MvT, pagina’s 45-46 (de rechtbank begrijpt de verwijzing aldus dat bedoeld is de tekst op pagina 35, laatste alinea en 36, eerste alinea).
10. Eiseres voert als meest verstrekkende grond aan dat het door de minister gehanteerde criterium, dat de kosten vermijdbaar zijn, een wettelijke grondslag mist. Het criterium ‘voorkombare kosten’ dat de minister hanteert komt in artikel 4.1 vierde lid van de Wht niet voor. Dit artikellid bevat een limitatieve opsomming van schulden die niet worden overgenomen. De mutatie- en stortkosten moeten daarom worden vergoed als bijkomende kosten zoals bedoeld in artikel 4.1., derde lid, aanhef en onder d, van de Wht.
11. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de geweigerde schulden voldoen aan de voorwaarden gesteld in het tweede en derde lid van artikel 4.1 van de Wht. Daarmee is de minister in beginsel gehouden om deze schulden over te nemen. Dat is alleen anders als er sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in het vierde lid van artikel 4.1 van de Wht. Daarin wordt een limitatieve opsomming gegeven van privaatrechtelijke schulden die niet worden overgenomen. De geweigerde mutatie- en stortkosten vallen niet onder één van deze uitgezonderde schulden. De minister heeft door de weigering te baseren op een passage uit de MvT een onjuiste grondslag toegepast. In de MvT bij de totstandkoming van de Wht is onder het kopje ‘Aanpak voor bestuursrechtelijke schulden’ ook iets opgenomen over privaatrechtelijke schulden. Daarin wordt genoemd dat schulden niet worden overgenomen die voortvloeien uit ernstig misbruik, nalatigheid of strafbare feiten. Dit is voor de overname van privaatrechtelijke schulden echter niet in de wetstekst zelf opgenomen. Voor het kwijtschelden van publiekrechtelijke schulden is wel een dergelijke bepaling opgenomen in artikel 3.1, vijfde lid, van de Wht. Wat in de MvT in generieke zin is opgemerkt over het overnemen van privaatrechtelijke schulden en het kwijtschelden van publiekrechtelijke schulden komt niet overeen met de wetstekst over het overnemen van privaatrechtelijke schulden. Anders dan de minister tijdens de zitting heeft toegelicht komt aan een MvT geen zelfstandige betekenis toe en kunnen op de enkele grondslag daarvan geen bevoegdheden worden ontleend.
12. Nu er in de wet geen grondslag bestaat voor het weigeren van de overname van de mutatie- en stortkosten die door de aanvrager voorkomen hadden kunnen worden, had de minister deze kosten moeten overnemen.
13. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 4.1. van de Wht. Omdat aan alle voorwaarden van artikel 4.1. van de Wht wordt voldaan, zal de rechtbank met het oog op finale geschilbeslechting en onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak voorzien.
15. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het primaire besluit van 11 maart 2025 is beslist op het verzoek om € 5.434,85 aan schulden over te nemen, waarbij de schulden tot een bedrag van € 3903,35 zijn overgenomen. De rechtbank begrijpt dat met dit besluit de schulden ten aanzien van de mutatiekosten en de stortkosten, ter hoogte van € 1.531,50 impliciet zijn geweigerd. De rechtbank zal het primaire besluit van 11 maart 2025 voor zover deze kosten zijn geweigerd herroepen. De rechtbank bepaalt dat de minister de mutatie- en de stortkosten van in totaal € 1.531,50 moet overnemen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit. Dus de minister hoeft geen nieuw besluit te nemen. De minister moet alleen feitelijk uitvoering aan deze uitspraak geven.
16. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt voor de beroepsprocedure € 1.868,-, ( 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1). Voor de bezwaarprocedure bedraagt de vergoeding € 1.332,- ( 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,-, en een wegingsfactor 1). De proceskostenveroordeling bedraagt in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 27 augustus 2025;
  • herroept het primaire besluit van 11 maart 2025 voor zover daarin de mutatiekosten en de stortkosten ten bedrage van € 1.531,50 zijn geweigerd;
  • bepaalt dat de minister de mutatiekosten en de stortkosten van in totaal € 1.531,50 overneemt;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3.