2.1De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de heffingsambtenaar dit punt pas op de zitting heeft aangevoerd, was er geen gelegenheid om (de gemachtigde van) eiser te laten onderbouwen dat hij nog steeds achter de machtiging staat. De rechtbank constateert dat er op het moment van het instellen van het beroep geen gerede reden tot twijfel aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid bestond en de rechtbank heeft die twijfel ook nu niet. De heffingsambtenaar heeft niet onderbouwd waarom hij aan de machtiging twijfelt, maar enkel op het tijdsverloop gewezen. De rechtbank constateert dat de machtiging van eiser op
24 februari 2024 is verleend en expliciet benoemt dat deze ook voor de beroepsprocedure geldt. De machtiging is verder voldoende specifiek en gericht tegen een te individualiseren aanslag/beschikking en daarmee niet doorlopend. Verder is de dagtekening van de machtiging kort na de datum van de dagtekening van de beschikking. In zoverre bestaat voldoende causaal verband tussen de bestreden beschikking en de machtiging. Het feit dat op voorhand niet vaststaat of en welke rechtsmiddelen benut gaan worden doet daar niet aan af, want het is eiser en zijn gemachtigde vrij in de vormgeving van contractuele afspraken. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk.
3. De woning is een in 1994 gebouwde vrijstaande woning (semi-bungalow) met een inpandige garage en een tuinhuis. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 219 m² en een perceeloppervlakte van 622 m².
4. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde van € 458.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 585.000,-.
5. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
6. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2023) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
7. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met drie verkopen in [plaats] , te weten:
- [adres 2] , verkocht op 22 september 2021 voor € 685.000,-;
- [adres 3] , verkocht op 22 maart 2022 voor € 625.000,- en
- [adres 4] , verkocht op 9 augustus 2022 voor € 635.000,-.
Als extra onderbouwing is de verkoop genoemd van [adres 5] , verkocht op
23 februari 2023 voor € 650.000,-.
Maakt de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk?
8. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook vrijstaande woningen (semi-bungalows) zijn die in dezelfde straat liggen en niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer de staat van onderhoud en de voorzieningen door voor de woningwaarde een waarde onder het gemiddelde van de gecorrigeerde eenheidsprijs te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
9. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Referentiewoning [adres 4] is niet vergelijkbaar
10. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de referentiewoning [adres 4] niet vergelijkbaar is met zijn woning, omdat deze veel kleiner is dan de woning en geen rekening is gehouden met afnemend grensnut.