Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 12;
Rechtbank Midden-Nederland
Mevrouw erflaatster overleed in 2023 en liet een testament na waarin haar partner tot enig erfgenaam was benoemd, met een bepaling dat de erfstelling vervalt bij vrijwillige verbreking van de samenwoning. De erfgenaam stelde dat de relatie en samenwoning vrijwillig waren beëindigd en vorderde onder meer een verklaring dat de partner geen erfgenaam meer was.
De rechtbank stelde vast dat de samenwoning was geëindigd door omstandigheden buiten de wil van partijen, namelijk door de ernstige gezondheidsachteruitgang van erflaatster en haar opname in een zorginstelling. De partner bleef betrokken en bezocht haar regelmatig. De rechtbank oordeelde dat de erfstelling niet was vervallen.
Verder wees de rechtbank de vorderingen af om gouden munten te taxeren en bankafschriften af te geven, omdat de munten eigendom waren van de partner en er onvoldoende belang was voor inzage in bankafschriften. Ook werd geen onwaardigheid tot erven vastgesteld omdat verduistering van goederen niet gelijkstaat aan verduistering van een uiterste wil.
De erfgenaam werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt dat onvrijwillige beëindiging van samenwoning de erfstelling niet doet vervallen en benadrukt het belang van feitelijke omstandigheden bij de uitleg van testamentaire bepalingen.
Uitkomst: De rechtbank wijst alle vorderingen van de erfgenaam af en bevestigt dat de erfstelling van de partner niet is vervallen door onvrijwillige beëindiging van de samenwoning.