Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder op 18 december 2024 in gebreke is gesteld. Eiser heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn, namelijk uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak, een besluit op bezwaar moet nemen. Dit volgt uit vaste rechtspraak en een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. De rechtbank acht een hogere dwangsom niet nodig vanwege het ontbreken van weigerachtigheid en het belang van eiser.
Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€ 467,-) en het betaalde griffierecht (€ 53,-). De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler en uitgesproken op 11 maart 2026.