Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende op 28 maart 2025 een aanvraag tot herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadat het UWV niet tijdig een besluit nam, stelde verzoekster het UWV op 14 december 2026 in gebreke en ging zij op 16 januari 2026 in beroep tegen het uitblijven van een besluit. Op 3 februari 2026 nam het UWV alsnog een besluit, waarna verzoekster haar beroep op 23 februari 2026 introk en een vergoeding van proceskosten vroeg.
De rechtbank oordeelde dat het UWV geen bezwaar maakte tegen het verzoek om proceskostenvergoeding, aangezien het niet op het verzoek reageerde. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) stelde de rechtbank de proceskosten vast op € 467,-, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak.
Daarnaast werd het griffierecht van € 54,- aan verzoekster toegekend. De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van deze proceskosten aan verzoekster. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 8 mei 2026.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten en € 54,- griffierecht aan verzoekster.