In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Verweerder heeft op 2 januari 2026 gereageerd met een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee volledig aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft eiser het beroep ingetrokken.
De rechtbank heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dat niet noodzakelijk was. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan de rechtbank in een dergelijk geval bepalen dat het bestuursorgaan de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet vergoeden.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten, gebaseerd op één punt voor de bijstand door een gemachtigde bij het indienen van het beroepschrift. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van € 53,- rechtstreeks aan eiser te vergoeden volgens artikel 8:41, zevende lid, Awb.
De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier L. El Kabch op 11 maart 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.