Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1688

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4189
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens gewijzigde beslissing bestuursorgaan

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Verweerder heeft op 2 januari 2026 gereageerd met een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee volledig aan de bezwaren van eiser is tegemoetgekomen. Hierdoor heeft eiser het beroep ingetrokken.

De rechtbank heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dat niet noodzakelijk was. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan de rechtbank in een dergelijk geval bepalen dat het bestuursorgaan de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet vergoeden.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten, gebaseerd op één punt voor de bijstand door een gemachtigde bij het indienen van het beroepschrift. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het griffierecht van € 53,- rechtstreeks aan eiser te vergoeden volgens artikel 8:41, zevende lid, Awb.

De uitspraak is gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier L. El Kabch op 11 maart 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser na intrekking van het beroep wegens een gewijzigde beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.E.E. Vollebregt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Verweerder heeft op 2 januari 2026 gereageerd op dit verzoek om veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan eiseres) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. In deze procedure heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee verzoeker kan instemmen. Nu hiermee volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, heeft verzoeker het beroep ingetrokken.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 934,-.
5. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling aan verzoeker van € 934,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).