Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1674

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/16/607908 / KG ZA 26-106
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:268 BWArt. 6:119 BWArt. 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingVerordening (EG) 593/2008 (Rome I)California Probate Code § 6111 (a)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot staking executoriale verkoop woning wegens ongeldig codicil en vervalste e-mail

Eiser heeft een hypothecaire geldleningsovereenkomst gesloten met zijn tante, erflaatster, die in de Verenigde Staten woonde en overleed. Na haar overlijden is eiser in gebreke gebleven met betalingen, waarop gedaagde als executeur van de nalatenschap de woning van eiser wil executoriaal verkopen.

Eiser vordert in kort geding dat de verkoop wordt gestaakt, stellende dat gedaagde niet bevoegd is en dat de lening is kwijtgescholden door een codicil, bevestigd door een e-mail van een eerdere executeur. De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde bevoegd is volgens het recht van Californië, het codicil ongeldig is omdat het niet in het handschrift van erflaatster is en de e-mail vervalst is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser misbruik maakt van procesrecht door zich op vervalste stukken te beroepen en wijst de vorderingen af. Eiser wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, ook niet gezien de persoonlijke omstandigheden van eiser en zijn gezin.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten wegens misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/607908 / KG ZA 26-106
Vonnis in kort geding van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. I. Jonker,
tegen
[gedaagde],
in persoon en in hoedanigheid van ‘executor’ van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] , overleden op [datum overlijden 1] 2020 te [plaats 1] (Verenigde Staten van Amerika),
wonende in [postcode] [plaats 1] (Verenigde Staten van Amerika),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. R.P.A. Vermeer en mr. N.G. Opentij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 33;
- de akte indiening producties 15-18 van [eiser] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Om organisatorische redenen was dit in Utrecht, en niet in Lelystad. Bij de mondelinge behandeling waren [eiser] met zijn advocaat en de advocaten van [gedaagde] aanwezig. De advocaten hebben de standpunten van partijen nader toegelicht, waarbij de advocaat van [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van pleitaantekeningen. Deze zijn toegevoegd aan het dossier.

2.De zaak in het kort

2.1.
Deze procedure gaat over een hypothecaire geldleningsovereenkomst die [eiser] op 14 augustus 2019 met mevrouw [erflaatster] (erflaatster) heeft gesloten. Erflaatster is zijn tante. Op grond van die overeenkomst heeft erflaatster een bedrag van
€ 285.000 aan [eiser] geleend, zodat hij een woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] kon kopen. Ten behoeve van erflaatster is een hypotheekrecht op die woning gevestigd. De hypotheekakte bepaalt dat als [eiser] als hypotheekgever zijn verplichtingen in verband met de geldleningsovereenkomst niet nakomt, de hoofdsom opeisbaar is. De hypotheekakte bepaalt ook dat als [eiser] in verzuim is met de voldoening van de rente en de aflossing van de hoofdsom erflaatster bevoegd is om de woning in het openbaar te verkopen (zoals bepaald in artikel 3:268 van Pro het Burgerlijk Wetboek) en om in dat verband (kort gezegd) de gehele veiling te regelen. In de overeenkomst is het bedrag dat [eiser] maandelijks moest betalen op basis van de toen geldende rente vastgesteld op
€ 1.202.
2.2.
Erflaatster is op [datum overlijden 1] 2020 in California (de Verenigde Staten van Amerika) overleden. Tot 25 maart 2021 heeft [eiser] het bedrag van € 1.202 maandelijks voldaan, op twee maanden na (waarin de betaling niet volledig is geweest). Daarna heeft hij dit bedrag nog enkele keren betaald: in juli 2021, in september 2021 en in januari 2022. [eiser] bewoont zijn woning overigens niet zelf. Zijn ex-partner woont er, samen met hun kinderen en een nieuwe partner.
2.3.
Op 6 oktober 2022 heeft [gedaagde] [eiser] gesommeerd om wat betreft de achterstallige betalingen een bedrag van € 21.636 te voldoen. Op 23 november 2023 heeft haar toenmalige advocaat hem gesommeerd om het toen openstaande bedrag van € 37.262 te betalen. In deze brief is [eiser] medegedeeld dat [gedaagde] de nalatenschap van erflaatster vertegenwoordigde. In een brief van 12 juni 2024 heeft de huidige advocaat van [gedaagde] [eiser] gesommeerd om de achterstand van toen € 45.676 te voldoen. Bij deze brief was een zogenaamde ‘Trustee’s certification of Trust’ van 9 september 2022 gevoegd, waarover verderop in dit vonnis meer. Omdat [eiser] aan deze sommaties geen gehoor gaf, is het restant van de hoofdsom met rente in een brief van 20 augustus 2024 opgeëist. Op 15 oktober 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat de woning door middel van een executieveiling zal worden verkocht.
2.4.
De executieveiling staat gepland op 26 maart 2026, morgen dus. [eiser] probeert door dit kort geding te voorkomen dat deze veiling plaatsvindt.
2.5.
Volgens [eiser] is [gedaagde] niet bevoegd ter zake van de nalatenschap van erflaatster en dus ook niet om zijn woning in het openbaar te verkopen. [eiser] vindt daarnaast dat hij de nalatenschap niets is verschuldigd, omdat erflaatster hem de geldlening heeft kwijtgescholden. Dit blijkt volgens hem uit een codicil van erflaatster en uit een e-mail die de voormalige ‘executor’ aan hem heeft gestuurd.
2.6.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter 1) [gedaagde] gebiedt om de executoriale verkoop/openbare veiling te staken en gestaakt te houden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk over de rechtsgeldigheid van het codicil is beslist, 2) [gedaagde] verbiedt om verdere executiemaatregelen ter zake van de woning te treffen en 3) haar veroordeelt om haar volledige medewerking aan het opschorten van de aangekondigde veiling te verlenen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.7.
[gedaagde] voert hiertegen verweer. Zij meent dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat [eiser] moet worden veroordeeld om haar volledige proceskosten van
€ 24.792,87 en de nakosten te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat [gedaagde] in de Verenigde Staten van Amerika woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De voorzieningenrechter is op grond van artikel 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd om op de vorderingen te beslissen. Op grond van artikel 4 van Pro de Rome I verordening [1] moet daarbij Nederlands recht worden toegepast. Het gaat in deze zaak namelijk over de nakoming van een geldleningsovereenkomst die daarnaast een zakelijk recht op een onroerend goed (de woning van [eiser] ) tot onderwerp heeft. [eiser] moet de daarbij kenmerkende prestatie verrichten en hij woont in Nederland. De woning ligt ook in Nederland. De vraag of [gedaagde] bevoegd is om de nalatenschap van erflaatster te vertegenwoordigen, moet worden beantwoord naar het recht van Californië . Dat is het recht dat erflaatster in haar testament van toepassing heeft verklaard.
3.2.
Duidelijk is dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Hij meent dat er in een bodemprocedure, die hij kennelijk wil starten, geoordeeld moet worden over de geldigheid van het codicil. In dit kort geding is daarvoor volgens hem geen plaats, omdat er nader feitenonderzoek nodig is en buitenlands recht moet worden toegepast. Kennelijk vindt [eiser] dat [gedaagde] door een bodemprocedure niet af te wachten, misbruik maakt van haar bevoegdheid. Dat is de voorzieningenrechter niet met hem eens.
3.3.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. [eiser] kan namelijk in geen enkele stelling worden gevolgd. Vastgesteld kan worden dat [gedaagde] bevoegd is om de nalatenschap te vertegenwoordigen, ook wat betreft de geldlening. Daarnaast kan worden vastgesteld dat het codicil naar het recht van Californië niet geldig is; een nader onderzoek daarnaar is niet nodig. Daar komt bij dat erflaatster van dit document zeer waarschijnlijk nooit iets heeft geweten. De e-mail waarop [eiser] zich daarnaast beroept, heeft de voormalige ‘executor’ nooit verzonden. De voorzieningenrechter kan niet anders dan concluderen dat deze e-mail is vervalst. Door zijn vorderingen op een vervalst stuk te baseren, heeft [eiser] misbruik gemaakt van procesrecht. Hij zal daarom de reële proceskosten van [gedaagde] moeten vergoeden. Dit alles zal hierna worden uitgelegd.
[gedaagde] is bevoegd om de nalatenschap te vertegenwoordigen, ook wat betreft de geldlening
3.4.
Anders dan [eiser] meent, kan wel degelijk worden vastgesteld dat [gedaagde] bevoegd is om de nalatenschap van erflaatster wat betreft de geldlening te vertegenwoordigen. [gedaagde] heeft namelijk gewezen op de volgende omstandigheden:
  • Erflaatster heeft op 13 februari 1990 door middel van een ‘trust agreement’ een zogenoemde trust opgericht. In deze trust heeft zij al haar goederen, ook de goederen die zij in de toekomst in eigendom zou verkrijgen, ingebracht. Het creëren van een trust is een manier om vermogen na overlijden aan anderen te doen toekomen.
  • De ‘trust agreement’ is in 2011 geherformuleerd door een zogeheten ‘restatement of trust agreement of [erflaatster] ’. De voorzieningenrechter leidt uit de stukken af dat [naam] de naam was van de eerste (en overleden) echtgenoot van erflaatster.
  • Op 15 oktober 2014 is hierop een ‘first amendment to the restatement of trust agreement of [erflaatster] ’
  • In de ‘trust agreement’ is beschreven welke bevoegdheden de ‘trustee’ heeft wat betreft de goederen die erflaatster in de trust heeft ingebracht. De ‘trustee’ was erflaatster zelf. Zij had vastgelegd dat bij haar overlijden mevrouw [eerste opvolgende curator] de ‘initial successor trustee’ zou zijn. In de hiervoor genoemde ‘first amendment to the restatement of trust agreement of [erflaatster] ’ heeft erflaatster [gedaagde] aangewezen als ‘second alternate successor trustee’.
  • Erflaatster had ook een testament, dat (ook) op 15 oktober 2014 was opgemaakt. Dit testament bevat de volgende bepaling:
  • Van de goederen die erflaatster in de trust had ingebracht, was een bepaalde bankrekening uitgezonderd. Dat had erflaatster in de eerder genoemde ‘first amendment to the restatement of trust agreement of [erflaatster] ’ bepaald. Het ging om de ‘LPL Financial Account’. Het geld dat erflaatster aan [eiser] had geleend, was afkomstig van deze bankrekening. Erflaatster had deze bankrekening niet in de trust ingebracht, omdat zij wilde dat het saldo op deze rekening na haar overlijden aan anderen toekwam dan de begunstigden van de trust.
  • Na het overlijden van erflaatster is de hiervoor genoemde mevrouw [eerste opvolgende curator] de ‘successor trustee’ geweest. Mevrouw [eerste opvolgende curator] is op [datum overlijden 2] 2022 overleden. Door dit overlijden is [gedaagde] de ‘successor trustee’ geworden. Dit is ook vastgelegd in een zogenaamd ‘Trustee’s certification of trust’
  • Een ‘successor trustee’ kan de nalatenschap zonder bemoeienis van de rechtbank afhandelen. Dat geldt niet voor een ‘executor’. [gedaagde] kon de vordering uit de geldleningsovereenkomst alleen namens de nalatenschap innen als het testament door de rechtbank in Californië was goedgekeurd. Pas dan zou het testament geldig en afdwingbaar zijn.
  • [gedaagde] heeft op 16 juni 2025 een verzoek ingediend bij de ‘Superior Court of Orange County’ om het testament goed te keuren en haar bevoegd te maken de nalatenschap van erflaatster af te handelen. Op 28 augustus 2025 heeft de genoemde rechtbank het testament geverifieerd en [gedaagde] de genoemde bevoegdheid verleend. In een zogenaamd ‘Order for Probate’
‘The Court Orders
[gedaagde] in appointed personal representative
executor of the decedent’s will
(…)
Full authority is granted to administer the estate under the Independent Administration of Estates Act.’
- Tegen deze beslissing van de rechtbank kan bezwaar worden gemaakt, maar hiervoor geldt een termijn van 120 dagen. Deze termijn is op 26 december 2025 verstreken.
3.5.
[eiser] heeft hier inhoudelijk niets tegen ingebracht. Zijn advocate heeft tijdens de zitting alleen gezegd dat de stukken waarop [gedaagde] haar bevoegdheid als executeur baseert, pas een dag voor de mondelinge behandeling als producties zijn ingediend. Met deze stukken, die ook nog eens in het Engels zijn opgesteld, was zij niet eerder bekend. [eiser] is niet in staat geweest om de stukken juridisch te laten beoordelen door een advocaat in Californië . Volgens [eiser] staan de rechtsgeldigheid van de benoeming van [gedaagde] en de in de Verenigde Staten van Amerika gevolgde procedure “nadrukkelijk ter discussie”. Het is daarom nodig dat er een nader feitenonderzoek en deskundigenonderzoek naar het recht van Californië plaatsvindt, zo meent hij. Hiervoor moet een bodemprocedure worden gevolgd en op deze bodemprocedure kan volgens hem niet worden vooruitgelopen.
3.6.
Welke vragen de stukken oproepen, heeft [eiser] echter niet duidelijk gemaakt en kan de voorzieningenrechter ook niet bedenken. [eiser] heeft ook niet toegelicht waarom de rechtsgeldigheid van de benoeming van [gedaagde] en van de procedure die in de Verenigde Staten is gevolgd, ter discussie staat. [eiser] was met een aantal omstandigheden bovendien bekend. Op 12 juni 2024 is hem de ‘Trustee’s certification of Trust’ van 9 september 2022 toegestuurd (zie 2.3.). Dat document was voor hem dus niet nieuw. Uit de stukken blijkt daarnaast dat [eiser] zich bij de rechtbank (de ‘Superior Court of Orange County’) heeft gemeld. Hij meende dat de rechtbank [gedaagde] niet de bevoegdheid mocht verlenen om de nalatenschap af te handelen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat [eiser] hierin als schuldenaar van de nalatenschap geen stem heeft. [eiser] was zich er in de zomer van 2025 dus van bewust dat [gedaagde] een verzoek had gedaan om het testament geldig te verklaren en haar de genoemde bevoegdheid te verlenen. Dit heeft hij tijdens de zitting ook erkend. Uit niets blijkt dat hij daarna heeft gevraagd om bewijs dat [gedaagde] als ‘trustee’ en ‘executor’ is benoemd of dat hij haar positie in twijfel heeft getrokken. Deze positie kan gezien de hiervoor genoemde omstandigheden ook niet in twijfel wórden getrokken. Een nader onderzoek naar de inhoud van het recht van Californië is niet nodig.
De geldlening is niet kwijtgescholden
3.7.
Zoals vermeld, stelt [eiser] dat erflaatster hem de geldlening heeft kwijtgescholden. Volgens hem heeft zij in een met de hand geschreven codicil namelijk bepaald dat hij deze geldlening bij haar overlijden niet hoeft terug te betalen. In dit codicil geeft zij de executeur van haar nalatenschap ook de opdracht om de hypothecaire inschrijving om die reden door te halen. Uit de tekst van het codicil blijkt dat het codicil op 27 april 2019 is opgesteld.
3.8.
[gedaagde] heeft erop gewezen dat het handschrift waarin het codicil is opgesteld, niet het handschrift van erflaatster is. Ook de onder het codicil geplaatste handtekening is volgens [gedaagde] niet van haar. Naar Californisch recht is het codicil alleen al om deze reden niet geldig. Dit bepaalt namelijk:
‘A will… is valid as a holographic will, whether or not witnessed, if the signature and the material provisions are in the handwriting of the testator.’ [6] Dit wordt volgens [gedaagde] bevestigd in een opinie van een Californische advocaat.
3.9.
Dat het handschrift niet van erflaatster is, heeft [eiser] niet betwist. Volgens hem staat echter niet vast dat dit moest. Tijdens de zitting heeft hij gewezen op een andere bepaling uit het Californische recht, waaruit volgens hem volgt dat het codicil niet door erflaatster met de hand had hoeven te worden geschreven. Uit de aanhef van dit wetsartikel, dat [eiser] in het Nederlands heeft vertaald, blijkt echter dat deze bepaling geen betrekking heeft op codicillen, maar op testamenten. Maar voor [eiser] is dit nog niet duidelijk, zo heeft hij tijdens de zitting verklaard. Ook hierover wil hij zich nog laten informeren door een advocaat uit Californië .
3.10.
[eiser] heeft hier echter meer dan voldoende tijd voor gehad; hij hoefde hiervoor niet te wachten op het verweer dat [gedaagde] in deze procedure heeft gevoerd. Met het standpunt van [gedaagde] was hij in ieder geval op 11 februari 2026 al bekend. Op die datum heeft de advocaat van [gedaagde] zijn advocaat hierover namelijk per e-mail bericht. [eiser] had toen meteen kunnen (laten) uitzoeken of dit standpunt juist is. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit zo is. Niet alleen wordt dit standpunt onderbouwd door het door [gedaagde] genoemde wetsartikel (zie 3.8.) en de opinie van de Californische advocaat, het vindt ook steun in de literatuur:
‘Holographic wills are recognized in over half of the states. The important features of the traditional holographic will are: it must be written entirely in the testator’s handwriting, be signed by the testator, and requires no witnesses (unattested). The handwriting must be established to be that of the testator at the time the will is offered for probate. A few jurisdictions require a certain number of witnesses to prove that the testator’s handwriting is authentic. [….] Some jurisdictions have relaxed the requirement of the will being “entirely” in the testator’s handwriting and thus, have validated holographic wills whose material parts are in the testator’s handwriting, although the testator must still personally sign the will. Other jurisdictions will ignore the non-handwriting parts if they can be construed as superfluous. If the handwriting requirement is not satisfied, the will must be attested to as any other formal will is required to be attested to in order to be valid.’ [7]
3.11.
Uit deze passage blijkt dat in de Verenigde Staten van Amerika (in ieder geval de belangrijkste delen van) het codicil met de hand moet(en) zijn geschreven. Uit de laatste zin van deze passage kan worden opgemaakt dat als dit niet zo is, het codicil kan worden ingediend bij de rechtbank. De rechtbank kan het dan (tóch) als geldig bestempelen. [gedaagde] heeft er in de conclusie van antwoord op gewezen dat [eiser] dit niet heeft gedaan en dat de termijn om dit te kunnen doen al is verstreken. [gedaagde] meent bovendien dat een rechtbank nooit tot het oordeel zou zijn gekomen dat het codicil geldig is. Volgens [gedaagde] is het namelijk vervalst: erflaatster heeft van dit zogenaamde codicil niets geweten. De voorzieningenrechter vindt dit laatste ook zeer waarschijnlijk. Het kan niet alleen worden afgeleid uit het feit dat het handschrift en de handtekening niet van erflaatster zijn, maar het volgt ook uit andere omstandigheden waarop [gedaagde] heeft gewezen.
3.12.
Zo is de datum van het codicil (27 april 2019) gelegen vóór de datum waarop de geldlening is verstrekt en de akte van hypotheek is verleden. In deze hypotheekakte wordt over de kwijtschelding bij overlijden echter niets opgemerkt. Dat had wel voor de hand gelegen als erflaatster [eiser] de geldlening bij haar overlijden had willen kwijtschelden. Daarnaast beroept [eiser] zich ook op een print screen van een e-mail. Deze e-mail is het enige document waarin melding wordt gemaakt van het codicil en roept veel vragen op.
3.13.
Het gaat om de e-mail van de vorige ‘trustee’ en ‘executor’, de eerder genoemde mevrouw [eerste opvolgende curator] (zie 3.4.). Blijkens een print screen die [eiser] van deze e-mail heeft gemaakt, luidt de e-mail als volgt:
‘Hello [eiser] ,
zoals je weet, ben ik de executeur testamentair van [erflaatster] . Het was [erflaatster] ’s laatste wens en wil dat jouw hypotheekschuld na haar overlijden zou worden kwijtgescholden. Het originele codicil dat [erflaatster] destijds samen met [persoon1] en je moeder heeft opgemaakt, heb ik bewaard. Nu [erflaatster] is overleden, wikkel ik haar erfenis af. Ik zorg ervoor dat het codicil jou wordt toegezonden, zodat alles verder conform de wens van [erflaatster] kan worden afgehandeld. Dit betekent dat je de hypotheekschuld niet langer hoeft af te lossen, en je hoeft nu niets meer te betalen. Als je vragen hebt, kan je me bellen (…) en emailen.
Veel groeten, en heel veel sterkte..’
3.14.
Volgens [eiser] heeft mevrouw [eerste opvolgende curator] vervolgens in lijn met dit bericht gehandeld. De vordering op hem is namelijk niet vermeld op de zogenaamde ‘First and Final Account’ die mevrouw [eerste opvolgende curator] had opgesteld. Dat was een overzicht van de bestanddelen van de nalatenschap. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat de ‘First and Final Account’ betrekking had op de trust. Zoals vermeld, was de vordering op [eiser] vanwege de geldlening geen bestanddeel van de trust. Volgens [gedaagde] komt de vordering daarom in het overzicht niet voor. [eiser] heeft dit niet meer weersproken.
3.15.
Zoals vermeld, roept de print screen van de e-mail veel vragen op. Blijkens de print screen is de e-mail gedateerd op zondag 27 juli 2020. Op 27 juli 2020 was erflaatster echter nog in leven; zij overleed pas twee maanden later (op [datum overlijden 1] 2020). [gedaagde] heeft erop gewezen dat [eiser] er in correspondentie ook wel eens van uitging dat erflaatster in juli 2020 was overleden. Dat deze fout ook in deze tekst voorkomt, is volgens [gedaagde] veelzeggend. [eiser] heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Dat 27 juli 2020 op een zondag viel, klopt ook niet. Dat was namelijk een maandag. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij [eiser] hier meerdere keren mee heeft geconfronteerd, waarop [eiser] haar heeft laten weten dat het hier om een fout van Outlook kan gaan. Dit heeft [eiser] in deze procedure herhaald. Net als [gedaagde] vindt de voorzieningenrechter dit ongeloofwaardig. [gedaagde] stelt dat zij [eiser] ook meerdere keren heeft gevraagd om haar de originele e-mail toe te sturen. [eiser] heeft haar echter laten weten dat hij hierover niet meer beschikt. De print screen dateert echter van 23 oktober 2025. Dat [eiser] deze e-mail toen niet belangrijk genoeg vond om te bewaren, is gezien de inhoud daarvan ondenkbaar. Daarnaast is op de print screen te zien dat [eiser] de e-mail (zogenaamd) heeft beantwoord. De e-mail waarin dit is gebeurd, heeft [eiser] ook niet laten zien, ook niet in deze procedure. Ook hierom heeft [gedaagde] meerdere keren gevraagd, zo blijkt uit de overlegde correspondentie tussen de advocaten.
3.16.
Net als [gedaagde] kan de voorzieningenrechter niet anders dan concluderen dat mevrouw [eerste opvolgende curator] de e-mail nooit heeft gestuurd en dat [eiser] deze moet hebben opgesteld. Het gaat dus om een vervalst document. Dat [eiser] zich hierop in deze procedure beroept en hierover onwaarachtige verklaringen aflegt, kan hem worden aangerekend.
3.17.
Dat mevrouw [eerste opvolgende curator] de e-mail nooit heeft gestuurd, kan ook worden afgeleid uit het feit dat zij op 12 november 2020 een e-mail aan haar advocaat in Californië heeft gezonden, waarin zij onder meer schreef:
‘The latest news I heard about the mortgage in the Netherlands from [erflaatster] ’s nephew [persoon2] who collects the monthly mortgage payments, is that the borrowers (another nephew [eiser] and his partner [persoon1] ) are somewhat late with payments. But I think that eventually this will be corrected. I hope the late payments will not be an issue. The truth is sometimes people get lax when someone else has died or they think somehow the debt should be forgiven “just because” they shouldn’t have to pay an estate.’ [8]
3.18.
Dat de geldlening [eiser] niet is kwijtgescholden wordt ook onderstreept door het feit dat [eiser] na het overlijden van erflaatster tot en met maart 2021 het bedrag van
€ 1.202 nog maandelijks heeft betaald (op twee maanden na, waarin hij een lager bedrag heeft voldaan) en daarna nog een keer in juli 2021, in september 2021 en in januari 2022. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij dit voor de zekerheid heeft gedaan. Ook dit vindt de voorzieningenrechter ongeloofwaardig. Als dit zo was, had [eiser] bij de afschrijvingen wel vermeld (of op een andere manier laten weten) dat hij vond dat hij de betalingen gezien de kwijtschelding eigenlijk niet langer hoefde te voldoen. Dat heeft hij niet gedaan, zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling gezegd. Het is tot slot opmerkelijk dat [eiser] [gedaagde] pas in oktober 2025 van de vermeende kwijtschelding op de hoogte heeft gebracht. Dat is drie jaar nadat [gedaagde] hem voor het eerst heeft gesommeerd tot betaling.
[gedaagde] mag de woning verkopen en een belangenafweging maakt dit niet anders
3.19.
De conclusie moet dus zijn dat de geldlening [eiser] niet is kwijtgescholden en dat hij de maandelijkse betalingen had moeten voldoen. Hij is daarmee al geruime tijd in gebreke: zoals hiervoor vermeld, heeft hij in december 2021 voor het laatst betaald. Op grond van de hypotheekakte (en de wet) heeft [gedaagde] daarom het recht om de woning in het openbaar te verkopen. De vorderingen van [eiser] , die als doel hebben om dit te verhinderen, zullen daarom worden afgewezen. Een belangenafweging kan niet tot een andere uitkomst leiden. [eiser] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat zijn ex-partner ongeneeslijk ziek is en dat zijn kinderen kampen met gediagnosticeerde problematiek. Zoals eerder vermeld, wonen zij in de woning. Nog daargelaten dat deze (nieuwe) stellingen niet met medische verklaringen zijn onderbouwd, is dit geen omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden. De voorzieningenrechter heeft begrepen dat de verkoop van de woning de ex-partner en de kinderen van [eiser] niet zal raken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] namelijk verklaard dat de woning zal worden verkocht in verhuurde staat.
[eiser] moet de volledige proceskosten vergoeden
3.20.
[eiser] heeft zich in deze procedure beroepen op een vervalste e-mail en op een ongeldig codicil waarvan erflaatster zeer waarschijnlijk niets heeft geweten. De vorderingen zijn daardoor evident ongegrond. Door deze vorderingen toch in te stellen, heeft [eiser] misbruik gemaakt van procesrecht. Een veroordeling in de door [gedaagde] daadwerkelijk gemaakte proceskosten is daarom op haar plaats. [eiser] heeft tegen de hoogte van deze proceskosten geen afzonderlijk verweer gevoerd. De vordering om hem te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 24.792,87 zal daarom worden toegewezen. Hierover zal hij de wettelijke rente moeten voldoen vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis, zoals gevorderd. De nakosten zullen worden begroot op € 189,- plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 24.981,87, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EG) 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
2.Productie 2 van [gedaagde] .
3.Productie 1 van [eiser] .
4.Productie 3 van [gedaagde] .
5.Productie 29 van [gedaagde] .
6.California Probate Code § 6111 (a).
7.Wardle, Lynn Dennis; Duncan,William C. & Nolan, Laurence C. ‘United States of America’. In International Encyclopaedia of Laws: Family and Succession Law, paragraaf 946 en 947.
8.Productie 31 van [gedaagde] .