Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1667

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/5958
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking bezwaar en beroep tegen CBR-besluit

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) van 17 juli 2025. Het CBR nam op 4 september 2025 een beslissing op bezwaar, waarna verzoekster in beroep ging. Vervolgens trok het CBR bij besluit van 24 november 2025 de beslissing op bezwaar in, verklaarde het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit. Hierdoor werd voldaan aan het verzoek van verzoekster, die daarop het beroep introk en vergoeding van haar proceskosten vroeg.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting. Het CBR reageerde op het verzoek, maar leverde geen inhoudelijke bezwaren tegen vergoeding. De rechtbank concludeerde dat het CBR geen bezwaar had tegen vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelde de proceskosten vast op € 934,-, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift, en veroordeelde het CBR tot betaling hiervan. Daarnaast moet het CBR het griffierecht van € 194,- aan verzoekster vergoeden, conform artikel 8:41 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan op 24 april 2026 door rechter I. Helmich.

Uitkomst: Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten en € 194,- griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5958

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 5 februari 2026 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 4 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 24 november 2025 de beslissing op bezwaar van 4 september 2025 ingetrokken, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het primaire besluit van 17 juli 2025 herroepen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft gereageerd en aangegeven dat het bijgevoegde formulier proceskosten niet is ingevuld. Verweerder heeft niet inhoudelijk gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van op € 934,- en een wegingsfactor 1).
6. Verweerder moet ook het griffierecht van € 194,- aan verzoekster betalen. Dat volgt rechtstreeks uit de wet (artikel 8:41 Awb Pro). Verzoekster kan zich hiervoor tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.