Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1666

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4740
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
OmgevingswetOmgevingsplan gemeente Lelystad
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning gevelwijziging in verband met vermeende illegale kamerverhuur

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad verleende op 7 mei 2025 een omgevingsvergunning voor het veranderen van een gevelpaneel op een perceel in Lelystad. Omwonenden maakten bezwaar tegen deze vergunning omdat zij stelden dat de gevelwijziging, bestaande uit een extra toegangsdeur, functioneel en bouwkundig verbonden zou zijn met illegale kamerverhuur aan arbeidsmigranten.

Het college handhaafde de vergunning en stelde expliciet dat de woning slechts door één huishouden mag worden bewoond, waardoor kamerverhuur niet is toegestaan. De eisers stelden dat het college de vergunning niet had mogen verlenen omdat de wijziging ten dienste zou staan van strijdig gebruik.

De rechtbank oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen waren dat de gevelwijziging uitsluitend of mede voor andere doeleinden dan toegestaan zou worden gebruikt. De aanvraag bevatte geen tekeningen of informatie die dit aannemelijk maakten. Het college had bovendien verklaard dat er ten tijde van vergunningverlening geen sprake was van illegale kamerverhuur. Het voorschrift dat slechts één huishouden de woning mag bewonen borgt dit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de vergunning in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4740
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
4. [eiser 4]
5. [eiser 5]
6. [eiser 6]
eisers, allen uit [plaats]
(gemachtigde: H. de Vries)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad

(gemachtigde: A. Maduro).

Inleiding

1. Met het besluit van 7 mei 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen een gevelpaneel (kozijn) op het perceel [adres] in [plaats] . Eisers wonen in de directe omgeving van het perceel en hebben afzonderlijk bezwaar tegen de omgevingsvergunning gemaakt. Met de bestreden besluiten van
17 september 2025 heeft het college het besluit van 7 mei 2025 in stand gelaten en expliciet daarin opgenomen dat de omgevingsvergunning gebruik van de woning in strijd met de bestemming niet toestaat, hetgeen betekent dat de gehele woning mag worden gebruikt voor bewoning door maximaal één huishouden en dat het gebruik van de woning voor het verhuren van kamers of voor het splitsen in afzonderlijke zelfstandige wooneenheden niet is toegestaan.
2. Eisers hebben gezamenlijk beroep tegen de afwijzing van de bezwaren ingesteld en aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen, omdat de gevelwijziging, bestaande uit een extra toegangsdeur, functioneel en bouwkundig verbonden is met en ten dienste staat van illegale kamerverhuur aan arbeidsmigranten.
3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering daarvan vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal.

Beslissing

5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft en eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.

Motivering van de beslissing

6. Bij de rechtbank ligt ter beoordeling voor of het college de omgevingsvergunning voor het wijzigen van een gevelpaneel heeft kunnen verlenen.
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet alleen moet worden beoordeeld of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk daadwerkelijk met het oog op het toegestane gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming is als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of ook zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan de doeleinden die de bestemming toelaat. Bij de beoordeling van een aanvraag moet ervan worden uitgegaan dat het bouwwerk kan worden gebruikt op de wijze zoals omschreven is in de aanvraag, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede voor andere doeleinden zal worden gebruikt. [1] Deze lijn is door de rechtbank voortgezet na inwerkingtreding van de Omgevingswet. [2]
8. De rechtbank is van oordeel dat er geen concrete aanwijzingen zijn op basis waarvan het college redelijkerwijs had moeten aannemen dat de gevelwijziging ten dienste stond aan strijdig gebruik. Zo bevatte de aanvraag geen tekeningen van de woning of andere informatie met aanwijzingen op grond waarvan het college het standpunt kon innemen dat het bouwplan ten dienste stond van een strijdig gebruik. In de aanvraag stond juist vermeld dat het bestaande woongebruik niet werd gewijzigd. Mocht het college vaststellen dat de begane grond is verbouwd tot een zelfstandige woonruimte, zoals eisers hebben aangevoerd, dan kan dat hoogstens betekenen dat de aanvraag onvolledig is geweest. Het is in die situatie aan het college om te bezien of er aanleiding is om de omgevingsvergunning wegens het doen van een onvolledige aanvraag in te trekken. Bij de beoordeling van het beroep weegt de rechtbank ook mee dat het college op de zitting heeft verklaard dat ten tijde van vergunningverlening geen sprake was van illegale kamerverhuur. Met het voorschrift dat de gehele woning mag worden gebruikt voor bewoning door maximaal één huishouden, zoals ook rechtstreeks uit het Omgevingsplan van de gemeente Lelystad volgt, heeft het college geborgd dat geen kamerbewoning is toegestaan. Wanneer toch kamerbewoning plaatsvindt, dan kan dat een kwestie van handhaving worden. Er bestond dus geen aanleiding voor het college om de omgevingsvergunning te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4156, r.o. 4.1.
2.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6497, r.o. 9.