Eiser heeft aan gedaagde B.V. opdracht gegeven om werkzaamheden aan de gevel van zijn woning uit te voeren. Eiser stelt dat gedaagde het werk niet naar behoren heeft uitgevoerd, ondanks herhaalde sommaties. Daarom heeft eiser de nakoming van de aannemingsovereenkomst omgezet in een vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding.
Gedaagde is niet verschenen in de procedure, waardoor verstek is verleend. De rechtbank beoordeelt de vorderingen en oordeelt dat deze niet onrechtmatig of ongegrond zijn, met uitzondering van enkele technische aanpassingen in de formulering van de omgezette verbintenissen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van een bedrag van € 89.236,06 inclusief btw aan vervangende schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 januari 2026, alsmede betaling van expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten met rente vanaf de dagvaarding. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten van € 3.048,67 plus wettelijke rente en bijkomende kosten bij niet-tijdige betaling.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.