ECLI:NL:RBMNE:2026:165

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11839358
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:218 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding schade aan woning na politie-inval en afwijzing verrekening brandschade

Gedaagde huurt een woning van eiseres Rhenam Wonen. In oktober 2023 vond een politie-inval plaats bij de woning van gedaagde, waarbij schade aan de voordeur en kozijnen ontstond. Eiseres en gedaagde kwamen overeen dat gedaagde de schade zou vergoeden via een betalingsregeling, maar gedaagde kwam deze vanaf oktober 2024 niet meer na.

Eiseres vordert daarom € 1.462,46 aan schade, rente en kosten. Gedaagde betwist de vordering en stelt dat de Nederlandse Staat aansprakelijk is voor de schade, en dat eiseres verantwoordelijk is voor brandschade aan zijn gereedschap ter waarde van € 1.500,00, welke hij wil verrekenen met de vordering.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn huuroverplichtingen, omdat zijn gedragingen aanleiding waren voor de politie-inval en de daaropvolgende schade. Het beroep op verrekening met de brandschade faalt omdat de brand is veroorzaakt door een andere huurder en eiseres daarvoor niet aansprakelijk is. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen, maar de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens een onredelijk bezwarend incassokostenbeding. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de schade, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, rente en proceskosten, terwijl het beroep op verrekening en incassokosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11839358 \ UC EXPL 25-6699
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
Stichting Rhenam Wonen,
gevestigd in Rhenen,
eisende partij,
hierna te noemen: Rhenam Wonen,
gemachtigde: mr. S.P.J. Visser,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 17 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 12 januari 2026. Namens Rhenam Wonen zijn verschenen [A] , [B] en mr. D.M. van Ralen. [gedaagde] is in persoon verschenen. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurt een woning van Rhenam Wonen. In oktober 2023 heeft er een politie-inval bij de woning van [gedaagde] plaatsgevonden. Daarbij is schade aan de voordeur en de kozijnen van de woning ontstaan. Voor het vergoeden van die schade zijn Rhenam Wonen en [gedaagde] een betalingsregeling overeengekomen, die [gedaagde] vanaf oktober 2024 niet meer is nagekomen. Rhenam Wonen wil met deze procedure bereiken dat [gedaagde] ook het restantbedrag aan schade vergoedt. Rhenam Wonen vordert daarom € 1.462,46 aan schade, rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens [gedaagde] moet niet hij, maar de Nederlandse Staat, de schade aan de voordeur en de kozijnen vergoeden. Ook meent hij dat Rhenam Wonen verantwoordelijk is voor door hem geleden brandschade ter hoogte van € 1.500,00, welk bedrag hij met de vordering van Rhenam Wonen wenst te verrekenen. De kantonrechter zal de vorderingen van Rhenam Wonen toewijzen en wijst het beroep op verrekening af.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet de schade aan de voordeur en de kozijnen vergoeden
3.1.
Het is aan Rhenam Wonen om te stellen, en bij betwisting te onderbouwen, dat de schade aan de voordeur is ontstaan door een toerekenbaar tekortschieten van [gedaagde] in de naleving van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. [1] Het gaat namelijk om schade aan de buitenzijde van de huurwoning van [gedaagde] . In dit verband wordt overwogen dat niet tussen partijen in geschil is dat er in oktober 2024 een politie-inval bij de woning van [gedaagde] is geweest vanwege door [gedaagde] begane gedragingen en dat hierdoor schade aan de voordeur en de kozijnen is ontstaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is het toerekenbaar tekortschieten door [gedaagde] in de naleving van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst hiermee gegeven. De gedragingen van [gedaagde] waren namelijk de aanleiding voor de politie-inval, met als direct gevolg de veroorzaakte schade aan de voordeur en de kozijnen. [gedaagde] moet die schade daarom vergoeden. Dat de politie en niet [gedaagde] deze schade heeft veroorzaakt, doet daar niet aan af. Omdat de hoogte van de door de politie veroorzaakte schade aan de voordeur en de kozijnen verder niet door [gedaagde] is betwist, zal de door Rhenam Wonen gevorderde schadevergoeding worden toegewezen.
Het beroep op verrekening slaagt niet
3.2.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat Rhenam Wonen verantwoordelijk is voor door hem geleden brandschade ter hoogte van € 1.500,00 aan verloren gereedschap, welk bedrag hij met de in deze procedure gevorderde schadevergoeding wenst te verrekenen. Dit betoog slaagt niet. Gebleken is dat er brand is geweest in de berging van [gedaagde] veroorzaakt door een fiets(accu) van een andere huurder. Naar het oordeel van de kantonrechter is Rhenam Wonen voor het in brand vliegen van die accu en daarmee voor de brand in de kelder niet aansprakelijk, omdat de brand niet door haar toedoen is veroorzaakt. Dat het om een brand gaat in een complex dat in eigendom is van Rhenam Wonen, is hiervoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande is van een tegenvordering niet gebleken en slaagt het beroep op verrekening daarom niet.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.3.
[gedaagde] moet ook de gevorderde wettelijke rente over het verschuldigde bedrag betalen. Rhenam Wonen heeft namelijk meerdere keren aan [gedaagde] verzocht om het verschuldigde bedrag aan hem te betalen en dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Rhenam Wonen heeft de rente over het op 29 juli 2025 openstaande bedrag berekend op € 82,13. Dat bedrag wordt toegewezen en ook de rente vanaf die datum tot aan de dag van volledige betaling.
[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen
3.4.
Rhenam Wonen maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
3.5.
De algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de huurovereenkomst bevat een incassokostenbeding. In artikel 11.1 is een beding opgenomen over de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit en dat mag niet. Consumenten, zoals [gedaagde] , zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het besluit
verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid heeft gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten. [gedaagde] is op grond van artikel 11.1 in principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door Rhenam Wonen gemaakte kosten te voldoen onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. De kantonrechter is van oordeel dat het beding hierdoor zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat de consument aanzienlijk wordt benadeeld. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is daarmee onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd. Omdat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten volledig moeten worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rhenam Wonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.072,95
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.7.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Rhenam Wonen te betalen een bedrag van € 1.462,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 juli 2025, tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Rhenam Wonen te betalen een bedrag van € 82,13 aan rente (berekend tot 29 juli 2025);
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.072,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Zie artikel 7:218 lid 1 en Pro 2 BW.