Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1648

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
12110889 \ ME VERZ 26-28
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 2 BWArt. 7:670 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst wegens beëindiging opleidingstraject

De zaak betreft een verzoek van een onderwijsinstelling om de arbeidsovereenkomst met een onderwijsassistent te ontbinden op grond van de h-grond, omdat het opleidingstraject tot bevoegd leraar was beëindigd. De werknemer was sinds augustus 2024 in dienst en benoemd tot onbevoegd leraar met een tijdelijk contract voor het opleidingstraject.

De werkgever stelde dat het opleidingstraject in april 2025 werd stopgezet vanwege een mismatch en het ontbreken van vertrouwen in een goede afloop, mede door uitval van de werknemer wegens persoonlijke omstandigheden. De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende is aangetoond dat de werknemer heeft ingestemd met beëindiging van het traject of dat zij ongeschikt is voor het speciaal onderwijs. Eén incident werd onvoldoende geacht om het traject als vruchteloos te bestempelen.

De uitval van de werknemer en de mogelijke noodzaak tot herstart van het opleidingstraject maken de arbeidsovereenkomst niet inhoudsloos. De vrees van de werkgever dat de Inspectie het niet toestaat dat een onbevoegde docent werkt zonder een overeenkomst voor de gehele duur van het traject is onvoldoende onderbouwd.

Een verstoorde arbeidsrelatie werd te laat en onvoldoende onderbouwd aangevoerd. De kantonrechter concludeert dat de arbeidsovereenkomst moet voortduren, ondanks de lastige situatie voor beide partijen. De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12110889 \ ME VERZ 26-28
Beschikking van 7 april 2026
in de zaak van
de stichting
[verzoeker],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.W. Janse-Velema, advocaat te Woerden,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. Koot, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van [verzoeker] met 18 producties;
- het verweerschrift van [verweerder] met (voorwaardelijke) tegenverzoeken en 11 producties;
- aanvullende producties 19 en 20 van [verzoeker] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Namens [verzoeker] zijn mevrouw [A] (bestuurder) en mevrouw [B]
(HR-manager) verschenen, bijgestaan door mr. Janse-Velema. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. Koot. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen. Beide gemachtigden hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.
1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat uiterlijk 17 april 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1
[verzoeker] verzorgt gespecialiseerd onderwijs. [verweerder] is op 1 augustus 2024 in dienst getreden bij [verzoeker] als onderwijsassistent B. Per 1 februari 2025 is [verweerder] , nadat zij met goed gevolg een geschiktheidsonderzoek had doorlopen, benoemd tot onbevoegd leraar met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twee jaar in verband met een tweejarig opleidingstraject om haar bevoegdheid voor het primair basisonderwijs te behalen (hierna: het opleidingstraject). [verzoeker] vraagt in deze procedure om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] , die nog tot en met 31 januari 2027 duurt, te ontbinden. [verweerder] is het daar niet mee eens. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] onder andere om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
De beslissing van de kantonrechter
2.2
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek van [verzoeker] af. [verzoeker] wordt in de proceskosten veroordeeld. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.3
De kantonrechter kan de arbeidsovereenkomst ontbinden wanneer sprake is van een redelijke grond en herplaatsing van [verweerder] niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Uit artikel 7:671b lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) volgt verder dat een verzoek tot ontbinding slechts kan worden ingewilligd indien er geen opzegverbod geldt als bedoeld in artikel 7:670 BW Pro of een met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift geldt. In deze zaak is niet gebleken of komen vast te staan dat er sprake is van een opzegverbod.
2.4
De wet noemt in artikel 7:669 lid 3 BW Pro onder de letters a tot en met i een aantal redelijke gronden voor ontbinding. [verzoeker] legt de h-grond aan haar verzoek tot ontbinding ten grondslag. De h-grond geldt als een zogenoemde ‘vangnetbepaling’ voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar die wel van dien aard zijn van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2.5
[verzoeker] stelt dat [verweerder] haar functie van niet meer mag vervullen omdat [verweerder] in april 2025 is gestopt met het opleidingstraject. Volgens [verzoeker] is de arbeidsovereenkomst daarom inhoudsloos geworden. [verzoeker] heeft in april 2025 met [verweerder] besproken dat het opleidingstraject zou stoppen omdat zij geen vertrouwen had in een goede afloop, althans niet binnen het speciaal onderwijs (waar [verzoeker] zich toe beperkt). Volgens [verzoeker] was er sprake van een mismatch tussen [verweerder] en de leerlingen. Kort na een gesprek hierover met [verweerder] op 8 april 2025, is [verweerder] circa vier maanden uitgevallen wegens het overlijden van haar moeder en arbeidsongeschiktheid. In de tussentijd is het opleidingstraject met [verweerder] beëindigd en hierna heeft [verzoeker] [verweerder] de tijd gegeven om ander werk te vinden.
2.6
Ter zitting heeft [verzoeker] desgevraagd verklaard dat ook zonder de uitval van [verweerder] het opleidingstraject zou zijn beëindigd. Zij heeft aangevoerd dat [verweerder] met die beëindiging heeft ingestemd in het gesprek van 8 april 2025. Dat [verweerder] daarmee heeft ingestemd (en daaraan gehouden kan worden) is de kantonrechter niet gebleken. Uit hetgeen ook namens [verzoeker] op zitting daarover is verklaard, leidt de kantonrechter af dat [verweerder] het over zich heen heeft laten komen en heeft meebewogen, maar niet dat zij heeft ingestemd met de conclusie dat zij ongeschikt zou zijn voor het speciaal onderwijs en haar opleiding moest beëindigen. Dat [verweerder] ongeschikt was voor het speciaal onderwijs heeft [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. [verweerder] was nog maar net begonnen met het opleidingstraject. Uit het dossier blijkt weliswaar dat er onzekerheden waren in de periode voorafgaand aan het geschiktheidsonderzoek, maar als die zo groot waren dan had [verzoeker] geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar moeten sluiten en het opleidingstraject niet moeten opstarten. [verzoeker] heeft van de periode na de start van het opleidingstraject slechts één incident van 11 maart 2025 benoemd waaruit die ongeschiktheid zou moeten blijken. [verweerder] zou toen een getraumatiseerd kind hebben gedwongen haar bij de begroeting een hand te geven, hetgeen [verweerder] ontkent. Ook als de lezing van [verzoeker] juist is, is dat nog onvoldoende om te concluderen dat een vruchtbaar opleidingstraject voor [verweerder] niet mogelijk is.
2.7
De uitval is ook onvoldoende om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [verzoeker] wijst er op dat [verweerder] vanwege de uitval het lopende traject moest beëindigen en eventueel opnieuw met het traject moe(s)t beginnen, zodat het niet voor de einddatum van het dienstverband (31 januari 2027) kon en kan worden afgerond. [verzoeker] stelt dat zij [verweerder] vanwege de ketenregeling na 31 januari 2027 geen tijdelijk dienstverband meer geven en dat het haar niet is toegestaan om een onbevoegde docent een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te geven.
2.8
De kantonrechter overweegt dat een hernieuwde start van het opleidingstraject zou betekenen dat de arbeidsovereenkomst eerder eindigt dan het opleidingstraject. Dat is in de eerste plaats een probleem voor [verweerder] , maar maakt de arbeidsovereenkomst (bij het herstarten van het traject) niet inhoudsloos. [verzoeker] vreest dat de Inspectie mogelijk niet toestaat dat [verweerder] als onbevoegd docent werkt als zij niet voor de hele duur van de opleiding een arbeidsovereenkomst (voor bepaalde tijd) heeft, maar deze vrees is niet nader onderbouwd. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden op de h-grond.
2.9
[verzoeker] heeft aan het slot van de mondelinge behandeling nog naar voren gebracht dat inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. Hoewel een ambtshalve aanvulling van de ontslaggronden mogelijk is, zal de kantonrechter hiertoe in het onderhavige geval niet overgaan. Voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is nodig dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. [verzoeker] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat hiervan sprake is en bovendien is de stelling zo laat naar voren gebracht dat een behoorlijk debat erover aan [verweerder] is onthouden.
2.1
Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt. De kantonrechter realiseert zich – en heeft ter zitting ook met partijen besproken – dat dit beide partijen in een lastige situatie brengt. [verzoeker] zal met [verweerder] een nieuwe start van het opleidingstraject moeten verkennen, terwijl zij twijfelt over de vraag of ze daar nog subsidie voor krijgt en of de Inspectie er wel mee kan instemmen dat dit gebeurt, de arbeidsovereenkomst de duur van dat traject niet dekt en zij [verweerder] niet geschikt vindt voor de kinderen die [verzoeker] onderwijs biedt. [verweerder] zal zich bereid moeten tonen en eventueel moeten inzetten om opnieuw het opleidingstraject te starten (wil zij dat niet, dat is de arbeidsovereenkomst immers wel inhoudsloos), terwijl zij weet dat [verzoeker] geen vertrouwen in haar heeft en zij dit traject niet zal kunnen afronden bij [verzoeker] , maar dit zal moeten voortzetten bij een andere werkgever die zij in de afgelopen zeven maanden niet heeft kunnen vinden Het wettelijk kader waarbinnen de kantonrechter zich moet bewegen leidt tot deze juridische uitkomst, maar de kantonrechter adviseert partijen een voor hen beiden bevredigender oplossing buiten die kaders te zoeken.
2.11
Omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen is de voorwaarde die [verweerder] aan haar tegenverzoeken heeft verbonden, niet vervuld. De tegenverzoeken behoeven dan ook geen beoordeling.
2.12
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
2.13
De door [verweerder] gevraagde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
wijst het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
3.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
3.3
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad [1] .
Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
13702

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.