Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1640

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
10871356
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van recht bij roodlichtboete

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie van €250 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op 5 november 2022 in Almere. De betrokkene stelde beroep in tegen deze boete, aanvankelijk met een beroep op financiële draagkracht en later met het verweer dat het rode licht niet was gepasseerd, maar slechts de stopstreep.

Tijdens de zitting van 30 maart 2026 heeft de kantonrechter samen met partijen de foto's van de roodlichtcamera beoordeeld. Hieruit bleek dat het verkeerslicht duidelijk rood was en dat de auto het rode licht had gepasseerd, wat het standpunt van de betrokkene kansloos maakte. De gemachtigde handhaafde het beroep ondanks deze bevindingen en de kantonrechter wees op de onwaarschijnlijkheid van het verweer dat de auto was gestopt en achteruitgereden.

De kantonrechter concludeerde dat het beroep evident kansloos was en dat sprake was van misbruik van recht, waarbij het handelen van de gemachtigde aan de betrokkene kon worden toegerekend. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, maar dit leidde niet tot een inhoudelijke beoordeling van de sanctie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de roodlichtboete wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
zittingsplaats Almere
zaaknummer: 10871356 MM VERZ 24-73
CJIB-nummer: 253705849
beslissing van de kantonrechter van 13 april 2026 en proces-verbaal van de zitting van 30 maart 2026
inzake

[betrokkene] uit [plaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene,
gemachtigde: B. de Jong.

Inleiding

Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd van € 250,00. De boete is opgelegd voor het niet stoppen voor rood verkeerslicht, op 5 november 2022 in Almere.
De officier van justitie heeft het administratief beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. De betrokkene heeft aanvankelijk geen zekerheid gesteld voor het betalen van de boete en een beroep gedaan op het ontbreken van financiële draagkracht.
De kantonrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 17 november 2025. Met de tussenbeslissing van 1 december 2025 heeft de kantonrechter het draagkrachtverweer afgewezen en de betrokkene in de gelegenheid gesteld om alsnog zekerheid te stellen. Dat is gebeurd.
De kantonrechter heeft de zaak verder behandeld op de zitting van 30 maart 2026. De vervanger van de gemachtigde van de betrokkene was aanwezig. Namens de officier van justitie was een zittingsvertegenwoordiger aanwezig.
De kantonrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.

De beoordeling door de kantonrechter

1. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat uit de foto’s van de roodlichtcamera niet kan worden vastgesteld dat het rode licht is genegeerd. Wel kan worden vastgesteld dat de betrokkene de stopstreep was gepasseerd terwijl het verkeerslicht op rood stond. Daarom had hij een boete moeten krijgen voor het niet stoppen voor de stopstreep, waarvoor een andere feitcode met een lager boetebedrag geldt.
2. De kantonrechter heeft naar aanleiding van deze beroepsgrond op de zitting van 30 maart 2026 met partijen gekeken naar de twee foto’s van de roodlichtcamera in het dossier. De kantonrechter heeft aan partijen voorgehouden dat hij ziet dat het verkeerslicht op beide foto’s rood licht uitstraalt, dat de auto op de eerste foto met de voorwielen de stopstreep is gepasseerd en dat de auto op de tweede foto halverwege het kruispunt rijdt, ruimschoots voorbij het verkeerslicht. De kantonrechter heeft aangegeven dat hij op de foto’s in het geheel geen bevestiging ziet voor het standpunt dat de auto het verkeerslicht niet is gepasseerd, zoals wel is aangevoerd. De kantonrechter heeft de gemachtigde gevraagd om hierop te reageren.
3. De gemachtigde heeft hierop gezegd dat hij, nu hij de foto’s bekijkt, zich kan voorstellen dat de kantonrechter daarop waarneemt dat het verkeerslicht inderdaad is gepasseerd, maar dat hij desondanks het standpunt handhaaft dat de auto het verkeerslicht niet is gepasseerd. De kantonrechter heeft de gemachtigde vervolgens voorgehouden dat zijn standpunt niet overeenkomt met wat de gemachtigde kennelijk zelf ook op de foto’s ziet. De gemachtigde heeft vervolgens naar voren gebracht dat het ook mogelijk is dat de auto is gestopt en achteruit is teruggereden. De kantonrechter heeft de gemachtigde voorgehouden dat hij dit moeilijk voor te stellen vindt, omdat de auto op de tweede foto 48 kilometer per uur reed.
4. Naar aanleiding van deze bespreking heeft de kantonrechter de gemachtigde op de zitting in overweging gegeven om het beroep in te trekken. De gemachtigde heeft hierop laten weten dat hij het beroep handhaaft en heeft erop gewezen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
5. De kantonrechter oordeelt in het licht van het voorgaande dat de beroepsgrond evident kansloos is, waarbij meespeelt, maar niet doorslaggevend is, dat geprocedeerd wordt door een professionele rechtsbijstandverlener. De kantonrechter komt tot de conclusie dat sprake is van misbruik van recht, waarbij het handelen van de gemachtigde is toe te rekenen aan de betrokkene. Het beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. De kantonrechter stelt met de gemachtigde vast dat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. Omdat de kantonrechter niet toekomt aan de beoordeling van de sanctie, volstaat hij met deze vaststelling.
7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Misbruik van recht is een reden om de betrokkene te veroordelen in de kosten van de officier van justitie, maar het is niet gebleken dat de officier van justitie proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De kantonrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. K. de Meulder, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
V.O. de Wilde mr. K. de Meulder
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: