ECLI:NL:RBMNE:2026:164

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11918079
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 6:162 BWArt. 6:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling schadevergoeding en huur na beëindiging huurovereenkomst wegens hennepkwekerij

Eiser en gedaagde sloten op 4 september 2024 een beëindigingsovereenkomst waarin de huurovereenkomst eindigde op 30 september 2024, gedaagde zes maanden huur moest betalen en schade door een hennepkwekerij moest vergoeden. Gedaagde betaalde de rekening van €11.471,80 niet, waarop eiser betaling vorderde.

Gedaagde voerde aan dat hij de overeenkomst niet goed had gelezen en zich onder mentale druk bevond, en dat hij niet langer huur moest betalen omdat zijn spullen door eiser waren weggegooid. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde geen beroep kon doen op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden, en dat hij zich niet aan de afspraken had gehouden.

De kantonrechter stelde vast dat het weggooien van spullen gerechtvaardigd was omdat gedaagde ruim de tijd had gekregen om deze op te halen. Verrekening werd afgewezen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van €12.500,00 plus wettelijke handelsrente vanaf 24 september 2025 en proceskosten van €970,14. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €12.500 plus rente en kosten wegens niet-nakoming van de beëindigingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11918079 \ UC EXPL 25-7953
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 15 oktober 2025
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2026.
1.2.
Tijdens de zitting heeft de kantonrechter mondeling uitspraak gedaan. In dat mondelinge vonnis is de vordering van [eiser] toegewezen. Direct na het uitspreken van het vonnis is het de kantonrechter gebleken dat zij door [eiser] onvolledig en/of onjuist is voorgelicht. De kantonrechter heeft daarin aanleiding gezien het mondelinge vonnis in te trekken. Het moet namelijk worden voorkomen dat de beslissing van de kantonrechter is gebaseerd op onvolledige en/of onjuiste informatie en dat [gedaagde] daardoor gedwongen wordt in hoger beroep te gaan en daarmee op kosten wordt gejaagd. De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag alsnog schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De achtergrond van de zaak

2.1.
[gedaagde] had een eenmanszaak ( [onderneming] ) en huurde daarvoor een kantoorruimte (begane grond en eerste verdieping) van [eiser] . [gedaagde] gebruikte zelf alleen de begane grond: hij sloeg daar meubilair en interieurspullen op die hij verhandelde. Daarnaast stonden er persoonlijke spullen van [gedaagde] . De eerste verdieping had [gedaagde] onderverhuurd aan iemand anders.
2.2.
In de zomer van 2024 is er een hennepplantage ontdekt op de eerste verdieping. Het pand is daarom gesloten door de gemeente. Op 4 september 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst ondertekend (hierna: de beëindigingsovereenkomst). Daarin staat onder andere dat de huurovereenkomst op 30 september 2024 eindigt, dat [gedaagde] nog zes maanden huur (door)betaalt aan [eiser] en dat [gedaagde] de door de hennepkwekerij veroorzaakte schade aan het pand vergoedt. Op 30 april 2025 heeft [eiser] hiervoor een rekening van € 11.471,80 gestuurd aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft die rekening niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure daarom betaling van dit bedrag, plus rente en kosten.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser] en heeft verschillende argumenten gegeven waarom deze zou moeten worden afgewezen. Die argumenten komen hierna aan bod.

3.De beoordeling

[gedaagde] kan geen beroep doen op dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden
3.1.
[gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat hij met [eiser] , voordat de beëindigingsovereenkomst werd ondertekend, al mondeling had afgesproken dat de huurovereenkomst zou eindigen op 30 september 2024. Ze hadden hierbij ook afgesproken dat [gedaagde] zelf zijn spullen uit het pand mocht halen en dat hij zelf reparaties aan het pand mocht doen. Toen [eiser] bij hem langskwam met de beëindigingsovereenkomst, heeft [gedaagde] die overeenkomst niet (goed) gelezen. Hij kwam er pas veel later achter wat er allemaal in stond en waarmee hij dus akkoord was gegaan. [gedaagde] geeft aan dat hij de beëindigingsovereenkomst niet zou hebben ondertekend als hij eerder van de inhoud op de hoogte was geweest.
3.2.
Vanwege de eerdere mondelinge afspraken dacht [gedaagde] bij het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst dat die overeenkomst alleen ging over het einde van de huurovereenkomst en niet ook over het vergoeden van de herstelkosten van het pand of het betalen van nog zes maanden huur. [gedaagde] heeft op de zitting uitgelegd dat hij zich heel schuldig voelde over de situatie met de hennepkwekerij. Onder andere hierdoor had hij last van depressieve gevoelens. Hij voelde daardoor mentale druk om de beëindigingsovereenkomst te tekenen. De kantonrechter begrijpt uit de argumenten van [gedaagde] dat hij vindt dat de beëindigingsovereenkomst niet geldig is en hij daar dus niet aan kan worden gehouden.
3.3.
De kantonrechter vat de argumenten van [gedaagde] op als een beroep op dwaling [1] of op bedrog of misbruik van omstandigheden. [2] In juridische taal heten dit “wilsgebreken”. Een wilsgebrek kan soms een reden zijn om een overeenkomst van tafel te vegen (in juridische taal: een overeenkomst te vernietigen), maar in deze zaak niet. Voor zover [gedaagde] niet wist wat er precies in de beëindigingsovereenkomst stond, komt dat voor zijn rekening want hij heeft die overeenkomst niet of niet goed gelezen voordat hij daar zijn handtekening onder zette. Hij kan daarom geen beroep doen op dwaling. [3] Verder heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld om te oordelen dat sprake is geweest van bedrog. Het is niet gebleken dat [eiser] tegen [gedaagde] heeft gelogen of informatie heeft achtergehouden die hij met [gedaagde] had moeten delen en daarmee [gedaagde] heeft bewogen de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen.
3.4.
[gedaagde] heeft ook onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. Daarvoor is onder andere vereist dat bij [gedaagde] , toen hij de beëindigingsovereenkomst ondertekende, sprake was van “ bijzondere omstandigheden, zoals een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid”. Aan dit criterium is in deze zaak niet voldaan. De depressieve klachten en/of mentale druk die [gedaagde] voelde, zijn daarvoor onvoldoende.
De nieuwe afspraken uit de beëindigingsovereenkomst
3.5.
In de beëindigingsovereenkomst hebben partijen nieuwe afspraken gemaakt en daarmee zijn de oude (mondelinge) afspraken komen te vervallen. Dit staat in punt 10. van de beëindigingsovereenkomst.
3.6.
Voor deze rechtszaak zijn de volgende punten uit de beëindigingsovereenkomst van belang:
( a) de huurovereenkomst eindigt op 30 september 2024
(b) [gedaagde] moet het gehuurde uiterlijk op 30 september 2024 leeg en bezemschoon (“in goede staat”) opleveren
(c) [gedaagde] moet aan [eiser] € 5.980,80 [4] betalen, verdeeld over vier maandelijkse termijnen (vóór 1 oktober 2024, 1 november 2024, 1 december 2024 en 1 januari 2025)
(d) vóór 30 september 2024 moet de begane grond leeg en schoon zijn. [gedaagde] moet hiervoor een afspraak met de gemeente maken via het mailadres [e-mailadres]
( e) vóór 30 september moet de verdieping schoon en leeg zijn (en tussenmuren verwijderd)
(f) zodra toegang door de gemeente weer is toegestaan, worden op kosten van [gedaagde] de begane grond en de eerste verdieping weer in originele staat teruggebracht en wordt alle schade die is ontstaan door de hennepkwekerij vernieuwd.
[gedaagde] moet de zes maanden huur betalen
3.7.
[gedaagde] vindt het niet eerlijk dat hij nog zes maanden huur moet betalen, omdat [eiser] binnen drie maanden na de sluiting van het pand de spullen van [gedaagde] heeft weg gegooid. [gedaagde] vindt dat hij daarvoor langer de tijd had moeten krijgen.
3.8.
De kantonrechter vat dit argument van [gedaagde] op als een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Een schuldeiser en een schuldenaar moeten zich tegenover elkaar redelijk en billijk gedragen. Een partijafspraak geldt niet als die afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Om te beoordelen of dit zo is, moet worden gekeken naar wat er tussen die partijen heeft gespeeld of nog speelt. Dit blijkt uit de wet [5] en uit rechtspraak.
3.9.
De kantonrechter moet dus kijken naar wat er is gebeurd tussen [eiser] en [gedaagde] . Zij hebben afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk op 30 september 2024 zijn spullen uit het pand kon halen en dat [gedaagde] hiervoor zelf een afspraak moest maken bij de gemeente. Op de zitting is gebleken dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan. Volgens [gedaagde] wist hij niet dat hij dit moest doen omdat [eiser] dat niet tegen hem had gezegd. [gedaagde] wist überhaupt niet dat hij in het pand zou kunnen, want hij wist niet beter dan dat de gemeente het pand had gesloten. Deze argumenten van [gedaagde] gaan niet op. Ook hiervoor geldt namelijk dat [gedaagde] in de beëindigingsovereenkomst had kunnen lezen dat hij zelf in actie moest komen, onder andere door een afspraak met de gemeente te maken via het mailadres [e-mailadres] .
3.10.
Op de zitting is verder gebleken dat [eiser] op 25 september 2024 via Whatsapp aan [gedaagde] heeft laten weten dat ze op 2 en 3 oktober 2024 (met toestemming van de gemeente) in het pand konden om dat leeg te halen en het reparatie- en herstelwerk te doen. [gedaagde] had een busje gehuurd voor 2 oktober 2024, maar kon die dag toch niet komen omdat hij vergeten was dat hij met zijn zoontje voor een afspraak naar het ziekenhuis moest. Dit heeft hij die dag pas aan [eiser] geappt. [eiser] heeft daarop terug geappt dat als [gedaagde] zijn spullen niet uiterlijk de dag erna (dus op 3 oktober 2024) zou komen halen, de spullen dan zouden worden weg gegooid. [gedaagde] heeft toen aan [eiser] geappt dat hij graag zijn spullen wilde hebben, maar dat hij op 3 oktober 2024 niet kon komen omdat hij geen geld had om nog een dag een bus te huren.
3.11.
Het klopt dus dat [eiser] op 3 oktober 2024 de spullen van [gedaagde] heeft weg gegooid. Maar, daar is wel wat aan vooraf gegaan. [gedaagde] heeft zelf geen actie ondernomen om zijn spullen veilig te stellen en dat had hij wel moeten doen, gelet op wat partijen zijn overeengekomen in de beëindigingsovereenkomst. [gedaagde] heeft daarvoor ook genoeg de tijd gekregen. Feitelijk heeft [eiser] hem daarvoor namelijk een maand de tijd gegeven (van 4 september 2024 tot en met 3 oktober 2024). [gedaagde] heeft die tijd niet gebruikt, maar heeft het op het allerlaatste moment laten aankomen en is ook toen zijn spullen niet komen halen. [gedaagde] heeft zich dus niet aan de afspraken uit de beëindigingsovereenkomst gehouden. Dat hij op 2 oktober 2024 niet kon komen vanwege de ziekenhuisafspraak en dat hij op 3 oktober 2024 geen bus had, komt voor zijn rekening.
3.12.
Het komt voor rekening van [gedaagde] dat zijn spullen zijn weggegooid. Het weggooien van die spullen kan daarom geen reden zijn om hem niet te houden aan de afspraak dat hij nog 6 maanden huur moet betalen. Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op de redelijkheid en billijkheid niet slaagt. [gedaagde] heeft ook geen andere omstandigheden naar voren gebracht die zouden kunnen leiden tot een geslaagd beroep op de redelijkheid en billijkheid.
De kostenposten “leeghalen 1e verdieping ivm hennepkwekerij” en “arbeid tbv systeemplafond”
3.13.
Zoals in 2.2. van dit vonnis al staat, heeft [eiser] op 30 april 2025 een rekening gestuurd aan [gedaagde] . Die rekening ziet op de zes maanden huur en op de opknapkosten vanwege de hennepkwekerij. Onder die opknapkosten zijn twee posten opgesomd waar [gedaagde] bezwaar tegen heeft gemaakt. Het gaat om een post van € 4.000,00 voor het leeghalen van de eerste verdieping en een post van € 800,00 voor een systeemplafond.
3.14.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij zich niet kan voorstellen dat er zoveel tijd is besteed aan deze werkzaamheden. Hij is zelf vaak genoeg in zijn eentje bezig geweest met het verplaatsen van partijen spullen en dat ging prima. De kantonrechter oordeelt dat dit argument van [gedaagde] niet sterk genoeg is om de genoemde kostenposten te verlagen of af te wijzen. Het opruimen van een hennepkwekerij en het repareren van schade die door zo’n hennepkwekerij is ontstaan, is namelijk iets heel anders dan het versjouwen van meubels en interieurspullen. Bovendien heeft [gedaagde] ook niet duidelijk gemaakt wat dan volgens hem wel redelijke kosten zouden zijn geweest. [gedaagde] moet dus ook de opknapkosten helemaal betalen.
[gedaagde] kan geen beroep doen op verrekening
3.15.
[gedaagde] heeft ook een beroep gedaan op verrekening. Hij vindt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door zijn spullen weg te gooien. Die spullen waren namelijk van hem, dus [eiser] had niet het recht om die weg te gooien. Volgens [gedaagde] waren de weggegooide spullen alles bij elkaar € 7.200,00 waard. Hij wil dit bedrag verrekenen met wat hij nog aan [eiser] zou moeten betalen.
3.16.
De kantonrechter overweegt het volgende. [eiser] heeft een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [gedaagde] door diens spullen weg te gooien. Dat levert in principe een onrechtmatige daad op, tenzij er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. [6] Die rechtvaardigingsgrond kan in de wet staan, maar kan ook gebaseerd zijn op ongeschreven recht. Om te beoordelen of er een rechtvaardigingsgrond is, moet de kantonrechter een belangenafweging maken. Daarbij geldt dat niet snel mag worden geoordeeld dat er een rechtvaardigingsgrond is.
3.17.
De kantonrechter moet beoordelen of [eiser] , toen hij op 3 oktober 2024 de keuze moest maken om de spullen van [gedaagde] wel of niet weg te gooien, zijn eigen belang bij het leeghalen en herstellen van het pand mocht laten vóórgaan op het belang van [gedaagde] bij het behoud van zijn spullen. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] (ruim) de tijd heeft gekregen om zijn spullen zelf op te halen en dat heeft hij niet gedaan. Daar heeft hij verschillende redenen voor gegeven, maar die komen voor zijn risico en kan hij dus niet op het bordje van [eiser] leggen. Daar komt bij dat het [eiser] is geweest die uiteindelijk met de gemeente heeft geregeld dat het pand open zou zijn op 2 en 3 oktober 2024 zodat het kon worden leeggehaald en de reparaties konden worden verricht. Alles tegen elkaar afwegende, oordeelt de kantonrechter dat op grond van ongeschreven recht [eiser] er meer belang aan mocht toekennen om binnen de tijd die de gemeente hem had gegeven, het pand leeg te halen en op te knappen.
3.18.
Omdat er een rechtvaardigingsgrond was voor het weggooien van de spullen van [gedaagde] , heeft [eiser] niet onrechtmatig gehandeld tegenover [gedaagde] . [eiser] hoeft dus niet op te draaien voor de schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden. Dat betekent dat [gedaagde] geen vordering heeft op [eiser] en dat is wel nodig om te kunnen verrekenen. Het beroep op verrekening slaagt daarom niet.
3.19.
Omdat [gedaagde] geen beroep kan doen op verrekening, maakt het voor deze rechtszaak geen verschil meer of de spullen inderdaad € 7.200,00 waard waren. De kantonrechter zal [gedaagde] dus niet opdragen te bewijzen dat dit bedrag klopt.
3.20.
[gedaagde] moet dus het bedrag van € 11.471,80 aan [eiser] betalen. Hij moet ook de buitengerechtelijke incassokosten betalen en rente. Hierover overweegt de kantonrechter het volgende.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.21.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag (€ 1.076,56) aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
De wettelijke handelsrente
3.22.
[eiser] heeft een bedrag van € 267,78 gevorderd aan rente. Uit de dagvaarding blijkt dat het gaat om rente die verschuldigd is over het bedrag van € 11.471,80, berekend tot 24 september 2025 (de datum van de dagvaarding).
3.23.
In de dagvaarding staat dat [eiser] aanspraak maakt op “de wettelijke rente”, maar uit de verwijzing naar artikel 6:119a van het BW blijkt dat [eiser] hiermee bedoelt de wettelijke handelsrente. Alhoewel [gedaagde] ook privéspullen in het gehuurde had staan en uit zijn stellingen volgt dat hij zijn handel in meubels en interieurspullen zelf als hobby zag, moeten de huurovereenkomst en – in het verlengde daarvan – de beëindigingsovereenkomst worden aangemerkt als handelstransacties. Daarom kan [eiser] inderdaad aanspraak maken op de wettelijke handelsrente.
3.24.
De hoofdsom plus buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente tot 24 september 2025 komt uit op een totaalbedrag van € 12.816,14. [eiser] heeft zijn vordering beperkt tot € 12.500,00. Dit bedrag kan worden toegewezen.
3.25.
[eiser] vordert ook de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 24 september 2024. Deze vordering wordt afgewezen, want hiermee vordert [eiser] indirect wettelijke handelsrente over de verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten en dat kan niet want dat is niet de primaire betalingsverplichting in de zaak. Ook vordert [eiser] dan indirect rente over rente en dat kan ook niet omdat er nog geen jaar is verstreken. [7]
3.26.
De kantonrechter zal het bedrag van € 12.500,00 toewijzen plus de wettelijke handelsrente over € 11.471,80 vanaf 24 september 2025.
De proceskosten
3.27.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
970,14
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.28.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt. De beslissing van de kantonrechter geldt dan totdat het gerechtshof een andere beslissing heeft genomen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 11.471,80, vanaf 24 september 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 970,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 3:44 van Pro het BW.
3.Artikel 6:228 lid 2 van Pro het BW.
4.Dit is zes maanden huur.
5.Artikel 6:2 en Pro 6:248 van het BW.
6.Artikel 6:162 van Pro het BW.
7.Vergelijk artikel 6:119a lid 3 van het BW.