Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1635

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/2069
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verblijfsontzegging in stationsgebied Utrecht

Verzoeker heeft op 10 maart 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van de burgemeester van Utrecht van 11 februari 2026, waarin hem een verblijfsontzegging is opgelegd voor het gebied Hoog Catharijne, het Centraal Station Utrecht, het stationsgebied en de wijk Lombok vanwege overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordeningen door alcoholgebruik.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en ziet geen aanleiding om partijen uit te nodigen voor een zitting. Verzoeker stelt dat zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt en dat het gebiedsverbod niet in verhouding staat tot de overtreding, mede omdat hij vaak met de trein reist via het station Utrecht.

Eerder was al een verblijfsontzegging van één maand opgelegd voor dezelfde gedraging, waartegen ook bezwaar en een verzoek om voorlopige voorziening was ingediend, dat toen niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet geen nieuwe gronden die tot een ander oordeel leiden. Bovendien is de verblijfsontzegging inmiddels verlopen, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verblijfsontzegging wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2069

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

de burgemeester van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. O. Boubkari).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 10 maart 2026 tegen het besluit van de burgemeester van 11 februari 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1] Het verzoek is namelijk kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter zal dit hierna toelichten.
3. In het besluit van 11 februari 2026 heeft een bijzonder opsporingsambtenaar, namens de burgemeester, aan verzoeker een verbod opgelegd om zich in het gebied Hoog Catharijne, het Centraal Station Utrecht, het stationsgebied van Utrecht en in de wijk Lombok te bevinden. De verblijfsontzegging is opgelegd, omdat verzoeker op diezelfde dag in het stationsgebied is aangetroffen, terwijl hij in strijd met de Algemene Plaatselijke Verordeningen alcohol heeft gebruikt of bij zich had.
4. Deze verblijfsontzegging heeft een duur van twee maanden. Verzoeker is het hiermee niet eens en heeft bezwaar gemaakt en weer om een voorlopige voorziening gevraagd.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij in zijn bewegingsvrijheid wordt geschaad door de verblijfsontzegging. Hij reist vaak met de trein en mag zich nu niet meer in of rond de omgeving van het station ophouden. Verzoeker meent dat het gebiedsverbod voor twee maanden met een ruim bereik, niet in verhouding staat tot de verweten gedraging. Verzoeker reist vaak met de trein en kan nu niet meer via het station van Utrecht, een belangrijk verbindingspunt reizen.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat eerder met het besluit van 8 februari 2026 om dezelfde reden aan verzoeker een verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van één maand. Verzoeker heeft ook tegen die verblijfsontzegging bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft in die zaak het verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van spoedeisend belang. [2]
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van verzoeker in deze zaak grotendeels gelijk zijn aan de gronden van die eerdere zaak. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in deze zaak anders oordelen. Verzoeker woont in [plaats] . Niet is gesteld of gebleken dat verzoeker verplichtingen heeft in Utrecht, waardoor hij is aangewezen op verblijf in het stationsgebied van Utrecht. Daarbij heeft de burgemeester in het bericht van 30 maart 2026 bericht dat verzoeker wel via het station Utrecht met de trein kan reizen en daar kan overstappen op een andere trein. Nu de verblijfsontzegging inmiddels op 11 april 2026 is afgelopen, is ook geen sprake meer van spoedeisendheid. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.
9. De voorzieningenrechter treft daarom geen voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van 3 maart 2026, zaaknummer UTR 26/1333.