Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1633

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/6213
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J. van Niejenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 AOWArt. 58 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering AOW-pensioen en AIO na herziening wegens huwelijk

De zaak betreft de terugvordering van teveel ontvangen AOW-pensioen en AIO door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) van eiser over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 oktober 2024, een bedrag van €6.001,44. Eiser was het niet eens met deze terugvordering en stelde dat hij zijn huwelijk tijdig had gemeld en dat er geen sprake was van schending van de inlichtingenplicht. Tevens voerde hij aan dat zijn gezondheid, geheugenproblemen en schulden aanleiding zouden moeten zijn om van terugvordering af te zien.

De rechtbank oordeelt dat de herziening van het AOW-pensioen en de AIO met ingang van 1 september 2022 en de daaropvolgende terugvordering terecht zijn. De gronden van eiser die zien op de herziening zelf worden niet inhoudelijk beoordeeld omdat deze besluiten vaststaan. De rechtbank stelt dat de Svb verplicht is onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen, tenzij dringende redenen tot afzien bestaan.

De rechtbank concludeert dat geen sprake is van dringende redenen. De afhankelijkheid van eiser van hulp bij zijn administratie en zijn persoonlijke omstandigheden zijn niet uitzonderlijk genoeg om terugvordering te voorkomen. Ook is het gevolg van de terugvordering beperkt gebleven doordat invordering is opgeschort en een deel is verrekend met een nabetaling van de AIO. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de terugvordering blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de terugvordering van €6.001,44 en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6213

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [eiser] , uit [plaats] , eiser
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb

(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van AOW [1] -pensioen en AIO [2] van eiser. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt dat de Svb het AOW-pensioen en de AIO terecht heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 17 februari 2025 (het primaire besluit) heeft de Svb het over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 oktober 2024 teveel ontvangen AOW-pensioen en AIO tot een bedrag van € 6.001,44 van eiser teruggevorderd. Ook is een boete opgelegd.
3. Bij besluit van 6 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor de boete en deze laten vervallen. De terugvordering is gehandhaafd.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn bewindvoerder en tolk [bewindvoerder] en de gemachtigde van de Svb.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser ontving sinds 2009 een AOW-pensioen naar de norm voor gehuwden en sinds 2013 een AIO-aanvulling. Per 1 augustus 2019 zijn deze aangepast naar de norm voor een alleenstaande, omdat eiser duurzaam gescheiden leefde.
7. Op [datum] 2022 is eiser opnieuw getrouwd. Op 13 november 2023 heeft de Svb hiervan via de gemeente bericht ontvangen. Bij besluit van 16 november 2023 heeft de Svb het AOW-pensioen en de AIO met ingang van 1 september 2022 herzien naar de norm voor gehuwden. Vervolgens heeft de Svb bij het primaire besluit het over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 oktober 2024 teveel ontvangen bedrag van € 6.001,44 teruggevorderd en een boete opgelegd. Bij het bestreden besluit is de terugvordering gehandhaafd en de boete vervallen. De Svb heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
8. Naar aanleiding van een telefoongesprek met een hulppersoon van eiser in december 2023 heeft de Svb onderzoek gedaan naar de financiële situatie van eiser en zijn echtgenote. Dit heeft geleid tot een afzonderlijk besluit van 6 oktober 2025, waarbij de AIO opnieuw is vastgesteld en met ingang van november 2023 is verhoogd. Daaruit volgde een nabetaling van € 10.614,74, waarvan € 5.951,44 is verrekend met de resterende terugvordering.
Gronden eiser
9. Eiser stelt dat hij zijn huwelijk al voor november 2023 heeft gemeld bij de gemeente en dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Hij was afhankelijk van hulp bij zijn administratie en is daarin niet goed begeleid. Volgens hem is de terugvordering daarom onterecht. Daarnaast wijst hij op zijn gezondheid, geheugenproblemen en de schulden die zijn ontstaan. Volgens eiser had de Svb van terugvordering moeten afzien.
Bespreking van de gronden
10. De herziening van het AOW-pensioen en de AIO-aanvulling met ingang van 1 september 2022 ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Dat geldt ook voor het besluit van 6 oktober 2025 over de verhoging van de AIO. Deze besluiten staan vast. Dat betekent dat de gronden van eiser die zien op de herziening, zoals zijn standpunt dat hij zijn huwelijk heeft gemeld en dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, niet inhoudelijk worden beoordeeld.
11. In deze zaak ligt ter beoordeling voor of de Svb bevoegd was het bedrag van € 6.001,44 terug te vorderen en of er aanleiding was om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.
12. Uit de wet volgt dat de Svb verplicht is het onverschuldigd betaalde AOW-pensioen en de AIO terug te vorderen. Alleen als sprake is van dringende redenen kan daarvan worden afgezien. [3] Van dringende redenen is sprake als de terugvordering, gelet op de gevolgen en de omstandigheden waaronder de vordering is ontstaan, leidt tot een onevenredig resultaat. [4]
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
13.1.
De terugvordering is het gevolg van het besluit van 16 november 2023, waarbij het AOW-pensioen en de AIO met ingang van 1 september 2022 zijn herzien. Daardoor heeft eiser over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 oktober 2024 teveel AOW-pensioen en AIO ontvangen. De combinatie van de verlaging van het AOW-pensioen en de latere verhoging van de AIO zonder volledige terugwerkende kracht heeft voor eiser nadelig uitgepakt. Daardoor heeft hij in een bepaalde periode minder inkomen gehad en zijn – zoals ter zitting namens eiser naar voren is gebracht – schulden ontstaan. Dat de AIO-aanvulling niet met volledige terugwerkende kracht is verhoogd, hangt samen met de wijze waarop de Svb de uitkering heeft vastgesteld en het daarbij gehanteerde beleid dat een verhoging in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend bij schending van de inlichtingenplicht. [5] De toepassing van dat beleid ligt in deze procedure niet ter beoordeling. Het inkomensverlies en de schulden zijn dus het gevolg van de herziening van het AOW-pensioen en de AIO en de verhoging van de AIO zonder terugwerkende kracht, en niet van de terugvordering zelf.
13.2.
Eiser heeft aangevoerd dat de vordering is ontstaan doordat hij, vanwege zijn gezondheid en geheugenproblemen, afhankelijk was van hulp bij zijn administratie en daarin onvoldoende is ondersteund. De rechtbank begrijpt dat dit voor eiser belastend is. Dat eiser afhankelijk was van hulp bij zijn administratie maakt echter niet dat de terugvordering onevenredig is. Eventuele fouten van degene die hem daarbij heeft geholpen, komen in beginsel voor zijn rekening en risico. Deze door eiser genoemde omstandigheden zijn verder niet zodanig uitzonderlijk dat daarin een dringende reden is gelegen om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien.
13.3.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de door eiser gestelde gevolgen van de terugvordering. Daarbij is van belang dat deze gevolgen beperkt zijn gebleven. De invordering is op 31 maart 2025 opgeschort, eiser heeft één termijn van € 50,- betaald en de resterende vordering is volledig verrekend met de nabetaling van de AIO. In dit licht leidt de terugvordering niet tot een onevenredig resultaat.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen.
3.Dit volgt uit artikel 24 van Pro de AOW en (voor de AIO) uit artikel 58 van Pro de Participatiewet.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2498.
5.Beleidsregel Verhoging AIO-aanvulling wegens wijziging van de omstandigheden (SB1309).