Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1618

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11177892 EL EXPL 24-23 D/954
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake Dexia aandelenlease en onrechtmatig handelen jegens cliënt

De zaak betreft een geschil tussen Dexia Nederland B.V. en de erfgename van een cliënt over aandelenleaseovereenkomsten. De procedure werd aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad, dat bepalend was voor de beoordeling van het tijdstip van kennisname van de niet-handelende echtgenoot over de overeenkomst.

De Hoge Raad oordeelde dat het moment van daadwerkelijke kennisname van de overeenkomst doorslaggevend is, zonder dat inzicht in toestemming vereist is. De erfgename bracht geen nieuwe feiten aan die tot een andere uitkomst zouden leiden. Het moment van kennisname lag vóór 13 maart 2000, waardoor Dexia een beroep op verjaring kon doen.

De kantonrechter verklaarde voor recht dat Dexia niets meer verschuldigd is voor de eerste vijf overeenkomsten en wees de vordering af voor de zesde overeenkomst. Wel werd Dexia veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €2.085,01 plus wettelijke rente, wegens onrechtmatig handelen door het accepteren van de cliënt terwijl de tussenpersoon geen vergunning had.

De kosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter A. van Dijk op 1 april 2026.

Uitkomst: De vordering van de erfgename wordt afgewezen voor overeenkomst 6, Dexia is niets meer verschuldigd voor overeenkomsten 1 tot en met 5, maar wordt veroordeeld tot betaling van €2.085,01 plus wettelijke rente wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Amersfoort
zaaknummer: 11177892 EL EXPL 24-23 D/954
Vonnis van 1 april 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verder ook te noemen Dexia,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: USG Legal Professionals,
tegen:
[erfgename] ,in haar hoedanigheid van wettige erfgename van [erflater] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [erfgename] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).

1.De verdere procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 21 mei 2025,
  • de akte van Dexia,
  • de akte van [erfgename] .
Dexia is nog in de gelegenheid gesteld om te reageren op de akte van [erfgename] maar heeft daarvan niet tijdig gebruik gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad in het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam van 30 april 2024. De kantonrechter blijft bij de overwegingen in dat tussenvonnis en het tussenvonnis van 26 maart 2025.
2.2.
De Hoge Raad heeft op 18 juli 2025 een arrest gewezen (ECLI: NL:HR:2025:1168). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van dit arrest nog schriftelijk te reageren.
2.3.
Voor zover [erfgename] in haar reactie nieuwe feitelijke stellingen omtrent het moment van wetenschap heeft ingenomen, worden deze buiten beschouwing gelaten omdat deze eerder in de procedure hadden kunnen en moeten worden ingebracht. Zoals eerder is overwogen is voor de uitslag in deze zaak ten aanzien van overeenkomst 6. het arrest van de Hoge Raad bepalend. Het arrest van de Hoge Raad is duidelijk. Het gaat om het tijdstip waarop de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst en het is niet vereist dat de niet-handelende echtgenoot beschikte over de kennis en het inzicht dat het sluiten van de overeenkomst haar of zijn toestemming behoefde. [erfgename] heeft ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat in dit geval anders beslist zou moeten worden dan in overeenstemming is met de overwegingen van de Hoge Raad (vergelijk gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 februari 2026 ECLI:NL:GHSHE:2026:382). Nu reeds eerder aangenomen is dat het moment van wetenschap van de overeenkomst vóór 13 maart 2000 lag, gaat het beroep op verjaring van Dexia op. Dit betekent dat de vordering van [erfgename] ten aanzien van overeenkomst 6. wordt afgewezen.
2.4.
Gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 26 maart 2025 is beslist wordt de gevorderde verklaring voor recht van Dexia toegewezen ten aanzien van de overeenkomsten 1. tot en met 5. en ten aanzien van overeenkomst 6. afgewezen. De door [erfgename] ten aanzien van laatstgenoemde overeenkomst gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar alsmede de veroordeling tot betaling van de schade die door Dexia onweersproken is becijferd op € 2.085,01. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
2.5.
Gelet op deze uitkomst ziet de kantonrechter aanleiding de kosten als na te melden te compenseren.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [erflater] gesloten overeenkomsten 1. tot en met 5. niets meer aan [erfgename] verschuldigd is,
in reconventie
3.2.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
3.3.
veroordeelt Dexia om aan [erfgename] te betalen € 2.085,01, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 2.4.,
3.4.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en in reconventie
3.5.
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.