Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De verdere procedure
- het tussenvonnis van 21 mei 2025,
- de akte van Dexia,
- de akte van [erfgename] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen Dexia Nederland B.V. en de erfgename van een cliënt over aandelenleaseovereenkomsten. De procedure werd aangehouden in afwachting van een arrest van de Hoge Raad, dat bepalend was voor de beoordeling van het tijdstip van kennisname van de niet-handelende echtgenoot over de overeenkomst.
De Hoge Raad oordeelde dat het moment van daadwerkelijke kennisname van de overeenkomst doorslaggevend is, zonder dat inzicht in toestemming vereist is. De erfgename bracht geen nieuwe feiten aan die tot een andere uitkomst zouden leiden. Het moment van kennisname lag vóór 13 maart 2000, waardoor Dexia een beroep op verjaring kon doen.
De kantonrechter verklaarde voor recht dat Dexia niets meer verschuldigd is voor de eerste vijf overeenkomsten en wees de vordering af voor de zesde overeenkomst. Wel werd Dexia veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €2.085,01 plus wettelijke rente, wegens onrechtmatig handelen door het accepteren van de cliënt terwijl de tussenpersoon geen vergunning had.
De kosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter A. van Dijk op 1 april 2026.
Uitkomst: De vordering van de erfgename wordt afgewezen voor overeenkomst 6, Dexia is niets meer verschuldigd voor overeenkomsten 1 tot en met 5, maar wordt veroordeeld tot betaling van €2.085,01 plus wettelijke rente wegens onrechtmatig handelen.