Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1615

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/8161
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit kinderopvangtoeslag 2022 wegens onvoldoende motivering en vaststelling herziene berekening

Eiser, met drie minderjarige kinderen, ontving in 2022 voorschotten kinderopvangtoeslag. Verweerder paste de gegevens van de kinderopvang aan op basis van opvangorganisaties, wat eiser betwistte. Na bezwaar verklaarde verweerder dit deels gegrond, maar het geschil bleef bestaan over de juiste opvanguren en berekening.

De rechtbank schortte het onderzoek op en liet verweerder een nadere uitleg geven, waarna een herziene berekening volgde. Eiser reageerde niet op de nadere uitleg en de herziene berekening. De rechtbank constateerde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd en vernietigde dit besluit wegens strijd met de Awb.

Vervolgens stelde de rechtbank zelf de kinderopvangtoeslag definitief vast op € 24.908,- conform de herziene berekening. Eiser kreeg een deel van het teruggevorderde bedrag terug. De rechtbank wees het griffierecht toe aan eiser en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld op € 24.908,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8161

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Wat is er – in het kort – gebeurd?
1. Eiser heeft drie minderjarige kinderen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . In 2022 heeft hij kinderopvang voor hen afgenomen. Van verweerder heeft hij een voorschot op de kinderopvangtoeslag ontvangen ter tegemoetkoming in de kosten voor de kinderopvang.
2. Eiser heeft op 1 november 2023 het antwoordformulier Kinderopvangtoeslag 2022 ingeleverd.
3. Bij besluit van 24 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de gegevens van de kinderopvang over 2022 aangepast. Daarbij is verweerder uitgegaan van de gegevens van de kinderopvangorganisaties in plaats van de gegevens die eiser heeft verstrekt.
4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Volgens hem kloppen de gegevens van de opvangorganisaties niet en zijn de berekeningen daarom onjuist.
5. Bij besluit van 8 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder geeft eiser gelijk over de opvanggegevens van [minderjarige 1] bij [Kinderopvang A] en over de periode van opvang van [minderjarige 2] bij [Kinderopvang B] . Op de overige punten krijgt eiser ongelijk.
6. Onder de streep heeft eiser voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] minder opvang afgenomen en voor [minderjarige 1] iets meer opvang afgenomen dan in de voorschotfase is voorzien. Het grootste verschil met de voorschotfase komt door een verschil in de hoogte van het geschatte en het daadwerkelijke inkomen. Als gevolg daarvan is de kinderopvangtoeslag over 2022 definitief berekend op € 24.851. Eiser moet € 4.029,- (€ 3.798,- inclusief rente van € 231,-) aan teveel ontvangen voorschot kinderopvangtoeslag terugbetalen. Dat volgt uit de definitieve berekening van 10 januari 2025.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
9. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en afspraken gemaakt met partijen. Afgesproken is dat verweerder eiser een schriftelijke uitleg toestuurt van de berekening van de kinderopvangtoeslag over 2022 en dat verweerder en eiser deze uitleg samen bespreken aan de hand van de vragen van eiser. Daarna berichten partijen de rechtbank over de uitkomst van het gesprek.
10. Op 22 januari 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht over de stand van zaken. Verweerder heeft de definitieve berekening op 15 december 2025 herzien, als gevolg waarvan de kinderopvangtoeslag over 2022 is vastgesteld op € 24.908,-. Eiser moet
€ 3.964,- terugbetalen aan teveel ontvangen voorschot kinderopvangtoeslag over 2022. Verweerder heeft deze berekening op 14 januari 2026 met eiser besproken. Eiser zou op
19 januari 2026 laten weten of hij nog aanvullende vragen had of dat hij de beroepsprocedure wilde intrekken. Verweerder heeft hierop geen reactie gehad en geen contact meer met eiser kunnen krijgen.
11. De rechtbank heeft eiser vervolgens op 29 januari 2026 per brief en e-mail gevraagd of hij binnen twee weken wil laten weten of hij zich kan vinden in de nadere uitleg van verweerder. Omdat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen reactie van eiser heeft ontvangen, heeft de rechtbank eiser op 23 februari 2026 nogmaals per brief en e-mail gevraagd om een reactie. De rechtbank heeft hierop geen reactie van eiser ontvangen.
12. De griffier heeft op 26 januari 2026 en 9 maart 2026 tevergeefs geprobeerd telefonisch contact op te nemen met eiser.
13. De rechtbank heeft partijen op 18 maart 2026 per brief bericht dat zij, bij het uitblijven van een reactie van eiser, voldoende informatie heeft om een uitspraak te doen. De rechtbank heeft laten weten dat zij voornemens is het onderzoek te sluiten, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij op een zitting nader wil worden gehoord.
14. Aangezien binnen de gestelde termijn van twee weken geen reactie is ontvangen, heeft de rechtbank op 1 april 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

15. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, omdat onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd hoe de berekening van verweerder van de kinderopvangtoeslag over 2022 tot stand is gekomen. Het bestreden besluit moet daarom wegens strijd met artikel 3:46 en Pro 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Het beroep is om die reden gegrond.
16. De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder naar aanleiding van de schorsing ter zitting en de daarbij gemaakte afspraken, met de herziene definitieve berekening van 15 december 2025 een nadere uitleg heeft gegeven en deze met eiser heeft besproken. Ook is eiser meermaals in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Daarom ziet de rechtbank aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. De rechtbank zal het beroep hierna dan ook verder inhoudelijk beoordelen.
17. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat er volgens hem onjuiste gegevens zijn gebruikt om het aantal afgenomen opvanguren te berekenen. Eiser stelt dat er ten onrechte wordt afgeweken van wat is betaald, van wat daadwerkelijk is afgenomen, van wat in de jaaropgaven staat en van wat is opgegeven in het jaaroverzicht. Volgens eiser is het besluit daardoor willekeurig en onvoldoende gemotiveerd. Hij wil voorkomen dat het leidt tot een onjuiste berekening van de uiteindelijk toe te kennen toeslag. Op de nadere uitleg van verweerder, naar aanleiding van de schorsing, heeft eiser geen reactie gegeven.
18. De beroepsgronden slagen niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de nadere uitleg alsnog toereikend gemotiveerd hoe de berekening van de opvanguren tot stand is gekomen. Verweerder heeft bij de herziene definitieve berekening van 15 december 2025 een specificatie gevoegd, waarin per kind per opvangorganisatie is aangegeven hoeveel opvanguren tegen welk tarief zijn meegenomen in de berekening. Daaruit volgt dat de kinderopvangtoeslag over 2022 op € 24.908,- is vastgesteld. Eiser krijgt van het eerder teruggevorderde bedrag van € 4.029,- een bedrag van € 64,- terug. Het totaal aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2022 is € 3.964,-. Eiser heeft hier geen reactie op gegeven of specifieke gronden tegen gericht. De algemene stelling van eiser, dat de gegevens onjuist zijn, is te onbepaald voor de rechtbank om te twijfelen aan de juistheid van de herziene berekening van de kinderopvangtoeslag over 2022. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de herziene berekening onjuist te achten.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 en Pro 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over 2022 conform de herziene berekening van 15 december 2025 vast te stellen op
€ 24.908,-. Dit omdat verweerder het motiveringsgebrek heeft hersteld met de herziene berekening van 15 december 2025 en de daarbij gegeven specificatie.
20. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 november 2024;
- bepaalt dat de kinderopvangtoeslag over 2022 definitief wordt vastgesteld op € 24.908,--;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Venderbosch, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
De rechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.