In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen een veroordeelde. De vordering betreft het wederrechtelijk verkregen voordeel dat geschat is op € 400.244,20, voortkomend uit een strafbaar feit waarbij de veroordeelde betrokken was. De zitting vond plaats op 12 december 2025, waar de officier van justitie en de advocaat van de veroordeelde aanwezig waren. De advocaat betwistte de vordering en stelde dat de veroordeelde geen inkomsten had gegenereerd uit zijn werkzaamheden in de hennepkwekerij.
De rechtbank heeft het onderliggende strafdossier en het ontnemingsrapport bestudeerd, maar concludeerde dat het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs had geleverd om de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen. De veroordeelde had verklaard dat hij de hennepplanten slechts had verzorgd zonder dat hij hiervoor betaald was. Aangezien er geen bewijs was dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel had behaald, heeft de rechtbank de vordering tot ontneming afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken op dezelfde dag. De voorzitter en oudste rechter waren niet in de gelegenheid om het vonnis te ondertekenen.