Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1589

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 26/2749
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen EMG-maatregel opgelegd door CBR

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) heeft aan verzoeker een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG-maatregel) opgelegd wegens een snelheidsovertreding van 71 km/h boven de maximumsnelheid. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat door het CBR is gehandhaafd, en vervolgens beroep ingesteld. Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de maatregel op te schorten totdat het beroep is behandeld.

De voorzieningenrechter beoordeelde eerst of er sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat de cursusdagen al begonnen voordat het beroep zou worden behandeld, wat onomkeerbare gevolgen zou hebben. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen sprake was van spoedeisend belang, omdat de kosten en tijdsinvestering later gecompenseerd kunnen worden en verzoeker al ruim van tevoren op de hoogte was van de cursusdata.

Daarnaast werd beoordeeld of het bestreden besluit evident onrechtmatig was. Dit betekent dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk moet zijn dat het besluit onjuist is. De voorzieningenrechter vond dat dit niet het geval was op basis van de overgelegde stukken.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in het bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de EMG-maatregel is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

226RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2749

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Inleiding

1. Het CBR heeft met het besluit van 18 augustus 2025 aan verzoeker een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG-maatregel) opgelegd omdat is geconstateerd dat verzoeker de maximumsnelheid met 71 km/h heeft overschreden. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
2. Bij brief van 12 april 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de eerste cursusdag van de EMG-maatregel plaatsvindt op 14 april 2026. De uitspraak in beroep volgt later pas. Verzoeker moet daarom de maatregel uitvoeren voordat de rechtmatigheid van het bestreden besluit is beoordeeld. Dit leidt tot onomkeerbare gevolgen, waaronder kosten en tijdsinvestering. Volgens verzoeker is er serieuze twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Verzoeker verzoekt daarom om schorsing van de maatregel tot uitspraak is gedaan in het beroep.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment geen sprake is van spoedeisend belang. Anders dan verzoeker stelt, zijn er geen onomkeerbare gevolgen. De kosten die verzoeker heeft gemaakt voor het inplannen van de EMG-maatregel, kan hij terugkrijgen als blijkt dat de maatregel ten onrechte is opgelegd. Ook kan verzoeker dan een verzoek om schadevergoeding indienen als compensatie voor de tijdsinvestering voor het volgen van de cursusdagen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat verzoeker al op 8 februari 2026 op de hoogte is gebracht van de vastgestelde cursusdagen. Niet valt in te zien dat verzoeker niet eerder een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend. In het verzoekschrift heeft verzoeker ook niet uitgelegd dat de tijdsinvestering die hij moet doen zo nadelig is voor hem dat hij de uitspraak op het beroep niet kan afwachten. Dat geldt ook voor de kosten die hij heeft gemaakt voor het inplannen van de maatregel. Daar komt bij dat de rechtbank het beroep op 10 april 2026 op zitting heeft behandeld. Na afloop van de zitting is het onderzoek in beroep gesloten en de voorzieningenrechter verwacht dat de rechtbank snel uitspraak zal doen. Verzoeker heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de uitspraak op het beroep afwacht.
Evident onrechtmatig
8. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van het CBR evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CBR ingenomen standpunt juist is en of het besluit tijdens de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.