Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van haar private schulden door de minister van Financiën op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag werd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland afgewezen, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de schulden niet voldoen aan de vereisten van opeisbaarheid voor 1 juni 2021 en dat niet is voldaan aan de bewijsvereisten van een notariële akte of rechterlijke uitspraak, behalve voor een deel van de schuld bij haar moeder waarvoor een bankafschrift als authentiek bewijs wordt erkend. De schuld bij BNP Paribas was niet opeisbaar en niet achterstallig.
Eiseres voerde aan dat toepassing van de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel gerechtvaardigd was vanwege haar financiële situatie en de impact van de toeslagenaffaire, maar de rechtbank verwierp deze gronden omdat zij onvoldoende concreet en objectief waren onderbouwd. Ook werd het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden door de minister.
De rechtbank concludeert dat de wettelijke vereisten en de beleidskeuzes van de wetgever niet onredelijk zijn en dat de afwijzing van de aanvraag terecht is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot overname van private schulden wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3293
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. A. Stoel),
en
de Minister van Financiën, de minister,
(gemachtigde: mr. S. Salhi).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om overname van haar private schulden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de door eiseres ingediende schulden terecht niet heeft gecompenseerd. Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van private schulden. De uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag namens de minister met het besluit van 12 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie van afgeloste private schulden die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het compenseren van de afgeloste private schulden wordt uitgevoerd door SBN. Eiseres heeft aan de SBN een schuldenlijst verstrekt waarop 10 schulden staan. De minister heeft deze schulden niet overgenomen. Eiseres heeft in beroep gronden gericht tegen het niet overnemen van de schuld bij BNP Paribas Fin. BV en de schuld bij haar moeder [A] .
Komen de schulden bij de moeder en BNP Paribas in aanmerking voor overname?
4. Eiseres voert aan dat op 1 oktober 2019 tussen haar moeder en haar een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen, waarin is overeengekomen dat eiseres een bedrag van € 15.000,- terugbetaalt in 150 maandelijkse termijnen van € 100,-. Deze lening is verstrekt ter aflossing van diverse schulden die zijn ontstaan door de kinderopvangtoeslagaffaire. Ook heeft eiseres bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat de bedragen daadwerkelijk zijn betaald. [1]
5. Artikel 4.3, eerste lid van de Wht bepaalt dat een al betaalde schuld moet voldoen aan de vereisten van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Daaruit volgt dat geldschulden worden overgenomen als zij zijn ontstaan na 31 december 2005, opeisbaar waren voor 1 juni 2021 en niet voldaan zijn op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Daarnaast stelt artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht het vereiste dat een informele of private schuld alleen wordt overgenomen als deze is vastgelegd in een notariële akte of als de schuld blijkt uit een rechterlijke uitspraak.
Opeisbaarheid schuld bij moeder
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de schuld bij haar moeder voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Uit de stukken (geldleningsovereenkomst en bankafschriften) blijkt niet dat eiseres voor 1 juni 2021 de overeengekomen betalingsverplichtingen niet is nagekomen. Uit de stukken blijkt niet dat moeder eiseres in gebreke heeft gesteld of dat zij eiseres per brief heeft herinnerd om binnen 14 dagen te voldoen aan de betalingsverplichting, terwijl deze voorwaarden voor opeisbaarheid wel volgen uit de geldleningsovereenkomst. Eiseres heeft tijdens de zitting ook erkend dat de schuld bij haar moeder niet opeisbaar was. Dat betekent dat de schuld niet voldoet aan de vereisten die in de Wht worden gesteld aan overname van schulden.
Notariële akte of rechterlijke uitspraak schuld bij moeder
7. Uit het bestreden besluit volgt dat dat de minister tegenwerpt dat de schuld bij moeder niet is vastgelegd in een notariële akte of een rechterlijke uitspraak. Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze eis voor een gedeelte van de lening bij moeder (€ 9.500,-) niet meer wordt tegengeworpen, omdat eiseres een bankafschrift heeft overgelegd waaruit volgt dat dit bedrag binnen vijf jaar aan moeder moet worden terugbetaald. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ziet de minister aanleiding om van de eis van de notariële akte of rechterlijke uitspraak voor dit bedrag af te wijken, omdat het bankafschrift een voldoende authentiek document is en daarmee voldoende is gebleken van het bestaan van deze schuld. De rechtbank stelt daarom vast dat voor het bedrag van € 9.500,- niet langer de eis van een notariële akte of rechterlijke uitspraak wordt tegengeworpen. De rechtbank overweegt dat voor het overige bedrag van € 5.500,- niet wordt voldaan aan de eis van een notariële akte, rechterlijke uitspraak of andere authentieke documenten waar de schuld uit blijkt.
Opeisbaarheid en notariële akte of rechterlijke uitspraak schuld bij BNP Paribas
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de schuld bij BNP Paribas voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De minister heeft informatie opgevraagd bij BNP Paribas, en daaruit volgt dat BNP Paribas aangeeft dat eiseres per 1 september 2020 beschikt over een lopende persoonlijke lening, het maandbedrag bedraagt € 192,52 en de laatste betaling is op 28 mei 2024 ontvangen. BNP Paribas heeft expliciet vermeld dat er op dat moment geen sprake was van een betalingsachterstand. Uit de verklaring van BNP Paribas volgt dat er voor 1 juni 2021 geen betalingsachterstanden waren die hebben geleid tot beëindiging van de kredietovereenkomst of vervroegde opeisbaarheid van de resterende hoofdsom. Eiseres heeft ook erkend dat de schuld niet opeisbaar was. De minister heeft daarom terecht gesteld dat niet is voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wht. Ook heeft de minister kunnen tegenwerpen dat niet wordt voldaan aan de eis van een notariële akte of een rechterlijke uitspraak.
Slaagt het beroep op de hardheidsclausule?
9. Eiseres voert aan dat de lening bij BNP Paribas rechtstreeks voortvloeit uit de toeslagenproblematiek. Eiseres beschikt over een beperkt inkomen en draagt zorg voor drie kinderen. Maandelijks worden de vaste lasten voldaan, waaronder de lening bij BNP Paribas. Eiseres kan daardoor de lening aan haar moeder niet terugbetalen. Ook is de moeder van eiseres zelf in de financiële problemen geraakt. Eiseres is daardoor genoodzaakt om spaargeld van haar kinderen aan te spreken dat afkomstig is van de kindregeling. De financiële en sociale impact is dus heel groot.
10. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule wordt dus alleen toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Het is hierbij niet van doorslaggevend belang of het gaat om een situatie die door de wetgever is of kan zijn voorzien. Daarnaast is het niet zozeer van belang of de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok schrijnend waren. Het moet gaan om actuele omstandigheden, zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Bovendien moeten deze omstandigheden samenhangen met de gevolgen van een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Degene die een beroep doet op de hardheidsclausule dient inzichtelijk te maken waar de bijzonderheid of het schrijnende karakter van haar situatie uit blijkt en dient dit zo concreet mogelijk te onderbouwen. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt er namelijk een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. [2]
11. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hij in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding hoefde te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is namelijk vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die tot een schrijnende situatie leiden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiseres haar financiële situatie heeft beschreven, maar eiseres heeft deze situatie niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere financiële problemen of een schrijnende situatie die voortkomt uit deze situatie. Eiseres heeft aangevoerd dat door het aangaan van de lening bij haar moeder de familiebanden zijn verslechterd. De rechtbank begrijpt dat deze situatie vervelend is, maar de minister heeft hierin geen bijzondere omstandigheid hoeven zien. Verder volgt uit de stukken dat de schuld bij BNP Paribas inmiddels is afgelost. Van bijzondere financiële problemen of een schrijnende situatie is niet gebleken.
Slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel?
12. Eiseres voert aan dat het onredelijk en belastend is om bij informele leningen tussen familieleden en vrienden een notariële akte of gerechtelijk vonnis te verlangen. Uit rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat dat in slechts 6 van de 600 aanvragen sprake is van een notariële akte. Dit onderstreept dat het vereiste disproportioneel is ten opzichte van het beoogde doel. Het door eiseres overgelegde bewijs (geldleningsovereenkomst) dient hetzelfde doel. Eiseres vindt het onredelijk om gedupeerden in een nadelige bewijspositie te plaatsen.
13. De rechtbank overweegt dat de Wht een wet in formele zin is. Dat houdt in dat de rechtbank de vereisten in de Wht niet mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of andere algemene rechtsbeginselen. Artikel 120 vanPro de Grondwet staat daar namelijk aan in de weg. Bovendien heeft de Afdeling meermaals bevestigd, dat dit toetsingsverbod inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. Desondanks kan er aanleiding bestaan om toch af te wijken van de wettelijke bepaling. Dit kan alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden waar de wetgever met de totstandkoming van de wet geen rekening mee heeft gehouden of niet heeft voorzien. Met andere woorden, als de bijzondere omstandigheden niet zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dit is het geval als deze omstandigheden het toepassen van – in dit geval – het vereiste van de notariële akte zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen dat die toepassing achterwege moet blijven.
14. Het betoog van eiseres dat de in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, de Wht neergelegde vereisten onevenredig zijn en dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft voorzien en dus niet zijn verdisconteerd in de Wht volgt de rechtbank niet. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt immers het tegendeel. In de memorie van toelichting bij de Wht zijn de gemaakte keuzes en de achtergrond daarvan namelijk uitvoerig toegelicht door de wetgever. Hieruit blijkt dat de regeling niet het doel heeft om de ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. De schuldenaanpak is met name gericht op het realiseren van een nieuwe start en niet bedoeld voor het herstellen van onrecht. Er is daarom ook gekozen door de wetgever om bepaalde schulden uit te sluiten van deze herstelmaatregel. Het gevolg hiervan kan dus zijn dat er gedupeerde ouders zijn die na de hersteloperatie met schulden achterblijven.
15. Daarnaast blijkt uit vaste rechtspraak [4] dat de eis van de notariële akte bewust in de wet is opgenomen. De notariële akte dient namelijk als bewijs van het bestaan van de informele schuld en van de betalingsafspraken die zijn gemaakt. De wetgever heeft hiervoor gekozen om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen de daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat veel informele leningen niet voldoen aan dit vereiste, omdat deze meestal niet worden vastgelegd in een notariële akte. De conclusie die de rechtbank hieraan verbindt is dat de mogelijke gevolgen voor gedupeerde ouders van het vereiste van een notariële akte zijn voorzien bij de totstandkoming van de wet en daarmee verdisconteerd zijn. De wetgever heeft voorzien dat niet alle gedupeerde ouders die in financiële moeilijkheden verkeren van hun schulden afkomen met deze schuldenregeling. Omdat hier geen sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn voorzien door de wetgever, mag de rechtbank het vereiste van de notariële akte niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
16. Bovendien heeft de minister tijdens de zitting de eis van een notariële akte of rechterlijke uitspraak voor een gedeelte van de schuld bij moeder (voor € 9.500,-) niet langer tegengeworpen, omdat eiseres dit met het bankafschrift voldoende heeft onderbouwd. Daarom komt de situatie van eiseres overeen met de situatie in de uitspraak van rechtbank Amsterdam [5] dat heeft geleid tot toepassing van het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze toepassing ook moet gelden voor de rest van het schuldbedrag bij moeder.
17. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de Wht, waardoor de rechtbank het vereiste van de notariële akte en de gevolgen daarvan voor eiseres, niet mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft de minister zorgvuldig gehandeld?
18. Eiseres stelt dat de SBN tot op heden geen contact heeft opgenomen met haar moeder, terwijl zij op 31 mei 2024 en op 18 oktober 2024 nogmaals de gegevens van haar moeder heeft verstrekt. Het besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen.
19. De minister heeft toegelicht dat uit de door eiseres ingediende schuldenlijst en toelichting bleek dat de gestelde informele schuld bij haar moeder niet was vastgelegd in een notariële akte of bleek uit een rechtelijke uitspraak. SBN vond het daarom niet aangewezen om hierover (mogelijk langdurig) contact aan te gaan met de moeder van eiseres. Dit heeft de SBN op 18 oktober 2024 aan de gemachtigde van eiseres kenbaar gemaakt. Ook is daarbij vermeld dat alsnog contact zou worden opgenomen indien nadere stukken zouden worden overgelegd waaruit blijkt dat aan de wettelijke vereisten werd voldaan. Eiseres heeft deze stukken niet overgelegd en ook tijdens de hoorzitting is bevestigd dat deze stukken ontbreken. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat nader contact met de moeder van eiseres niet tot een andere beoordeling kon leiden. Vast stond namelijk dat eiseres niet aan de dwingende wettelijke voorwaarden voldeed. De rechtbank ziet in deze handelswijze van de SBN dan wel de minister geen aanleiding voor het oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Eiseres heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van rechtbank Amsterdam, van 5 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:494.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2025, punt 7.3, ECLI:NL:RVS:2025:630.