Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1581

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/5297
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken aanvraag

Eiseres heeft zich in 2022 gemeld voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2019. Dienst Toeslagen heeft in eerste instantie en in bezwaar besloten dat zij geen recht heeft op compensatie omdat niet is gebleken dat zij ooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.

Eiseres betwist dit en stelt dat het dossier onvolledig is en dat zij wel toeslagen heeft aangevraagd en ontvangen. Zij voert aan dat Dienst Toeslagen ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, terwijl de hoorplicht een essentieel onderdeel is van de procedure.

De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en mocht afzien van het horen, omdat er geen redelijke twijfel bestaat over het ontbreken van een aanvraag kinderopvangtoeslag. Het dossier is compleet en correct, en eiseres heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij gehoord moet worden.

De rechtbank wijst het beroep af, waardoor eiseres geen vergoeding ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5297

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en

Dienst Toeslagen,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft zich op 10 januari 2022 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen eiseres in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord.
1.1.
Eiseres heeft zich aangemeld voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2019. Met het besluit van 5 juli 2022 (de eerste toets) heeft Dienst Toeslagen geen reden gezien om eiseres € 30.000 euro terug te betalen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 11 mei 2023 (de integrale herbeoordeling) heeft Dienst Toeslagen de situatie opnieuw bekeken en heeft besloten dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding. Eiseres is daartegen in bezwaar gegaan.
1.2.
Dienst Toeslagen heeft op 5 augustus 2025 een beslissing genomen op het bezwaar en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
1.4.
Dienst Toeslagen heeft op 23 februari 2026 een verweerschrift en op 2 maart 2026 een nadere reactie ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen het bezwaarschrift kennelijk ongegrond kon verklaren en eiseres ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Het bestreden besluit
4. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dienst Toeslagen concludeert dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding, omdat zij in de periode 2005 tot en met 2019 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Het bezwaar van eiseres kan er niet toe leiden dat zij alsnog in aanmerking komt voor compensatie.
De standpunten van eiseres
5. Eiseres vindt dat Dienst Toeslagen haar bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Eiseres voert aan dat van horen in bezwaar slechts kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Omdat de hoorplicht een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftprocedure, kan hiervan alleen worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. Eiseres wijst op de Memorie van Toelichting en stelt dat de lat voor het afzien van horen hoog ligt. Eiseres heeft in bezwaar gesteld dat het door Dienst Toeslagen overgelegde dossier niet klopt en incompleet is. Uit het SAS-rapport volgt dat eiseres over de jaren 2006 tot en met 2011 geen enkele toeslag zou hebben aangevraagd. Eiseres heeft in haar aanvullende bezwaarschrift met stukken onderbouwd dat zij in deze periode wel toeslagen heeft aangevraagd en ook heeft ontvangen. Ook is het aanvraagoverzicht niet compleet. Eiseres vindt gelet hierop dat zij gerede twijfel heeft gewekt rondom de vraag of zij al dan niet kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. In het bijzonder gelet op de stukken die zien op de omgangsregeling en de zorgen daaromtrent, de informatie van het UWV waaruit blijkt dat eiseres in die periode werkzaam was en als doelgroeper bestempeld kan worden. Tot slot stelt eiseres dat sprake is van strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb, omdat in de beslissing op het bezwaar en ook in het advies niet wordt ingegaan op de hiaten in het dossier en de stukken die zij heeft overgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
6. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. [1] Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. [2] Dit betekent dat van het horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [3]
7. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen heeft alleen de aanvrager van de kinderopvangtoeslag die geraakt is door institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of de hardheid van het stelsel recht op compensatie. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie voor de kinderopvangtoeslag terecht heeft afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiseres ooit kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier wel volgt dat eiseres andere toeslagen heeft ontvangen [4] , maar eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op enig moment kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat twijfel bestaat over de vraag of het dossier van Dienst Toeslagen compleet en correct is en over de vraag of Dienst Toeslagen heeft gekeken naar de jaren 2005 tot en met 2011. Uit de stukken blijkt dat Dienst Toeslagen in het kinderopvangtoeslagsysteem heeft gezocht voor de periode van 2005 tot en met 2019 en dat er geen (aanvraag)gegevens zijn gevonden. Ook is de rechtbank van oordeel dat Dienst Toeslagen zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres wel andere toeslagen heeft aangevraagd, maar dat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen waaruit volgt dat eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of ontvangen. Ook heeft Dienst Toeslagen in haar systemen geen gegevens aangetroffen waaruit volgt dat er ooit kinderopvangtoeslag is teruggevorderd of verrekend met andere toeslagen die eiseres ontving. De rechtbank ziet dan ook geen aanwijzingen voor de twijfel of het dossier wel compleet en correct is. De brief waaruit blijkt dat eiseres is uitgenodigd voor een gesprek bij de Belastingdienst levert ook geen twijfel op. Volgens eiseres ziet die brief op een gesprek over kinderopvangtoeslag, maar in de brief staat uitsluitend dat het gesprek gaat over inkomstenbelasting. De rechtbank is gelet op wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd van oordeel dat Dienst Toeslagen het bezwaar kennelijk ongegrond kon verklaren en daarom mocht afzien van het horen in bezwaar.
9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat haar door Dienst Toeslagen is toegezegd dat zij zou worden gehoord. Uit de brief van de bezwaarschriftenadviescommissie (de commissie) van 7 juli 2025 volgt dat de commissie voornemens was om Dienst Toeslagen te adviseren het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. Ook staat in de brief dat de commissie gebruik zal maken van de bevoegdheid om van het horen af te zien en aan Dienst Toeslagen het advies zal uitbrengen om eiseres niet te horen, tenzij eiseres binnen veertien dagen na dagtekening van de brief gemotiveerd aangeeft waarom eiseres meent dat zij wel moet worden gehoord.
10. Uit het dossier volgt dat de commissie eiseres in kennis heeft gesteld van de voorlopige conclusie en heeft geadviseerd om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren zonder eiseres te horen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken aan te geven waarom zij wel wil worden gehoord. De gemachtigde van eiseres heeft op 12 juli 2025 gereageerd en aangegeven dat eiseres gebruik wil maken van haar recht op een hoorzitting. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met deze reactie niet gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij wil worden gehoord. Dat eiseres er op mocht vertrouwen dat zij wel zou worden gehoord, volgt de rechtbank daarom niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282, punt 5.3.
4.Waaronder huurtoeslag, kinderbijslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget.