Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- de verdachte;
- de officier van justitie: mr. L.H.J. Verheijden;
- de advocaat van de verdachte: mr. A. Foppen (hierna: de advocaat);
- [A] van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partij [slachtoffer] .
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 31 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 7 juni 2025;
- een geschrift, te weten journaalregels van arts [B] van 7 juni 2025;
- een geschrift, te weten een brief van huisartsenpraktijk [naam] van 14 november 2025, inclusief de fotobijlage van het letsel.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf
6.Vordering benadeelde partij
7.Toegepaste wetsartikelen
8.De beslissing
- verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit van de tenlastelegging heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- veroordeelt de verdachte tot
- bepaalt dat van de gevangenisstraf
- stelt daarbij
- als
bijzondere voorwaardengelden dat de verdachte:
- wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe tot een bedrag van € 2.247,49;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2025 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.247,49 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 22 dagen gijzeling.