ECLI:NL:RBMNE:2026:1529
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van vrijstaande woning
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, vastgesteld op €480.000,- per 1 januari 2022, en stelde een lagere waarde van €460.000,- voor. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde na bezwaar en voerde een taxatiematrix aan met drie referentiewoningen ter onderbouwing.
Tijdens de zitting trok eiser een deel van zijn beroepsgronden in en richtte zich op het voorzieningenniveau van de woning, dat volgens hem ten onrechte als gemiddeld was gewaardeerd. De heffingsambtenaar stelde dat het voorzieningenniveau niet afweek van dat van de referentiewoningen en dat zelfs bij een lagere waardering de m²-prijs in lijn bleef met de referenties.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix en toelichting toonden aan dat rekening was gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen gelijk kreeg en geen proceskostenvergoeding ontving.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €480.000,- wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.