Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1525

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11968947
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 samenwerkingsovereenkomstArt. 13 samenwerkingsovereenkomstArt. 2 beëindigingsovereenkomstArt. 3 beëindigingsovereenkomstArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging samenwerking en financiële afwikkeling: geen aanspraak op resterende banksaldi

Partijen sloten in 2020 een samenwerkingsovereenkomst voor gezamenlijke bedrijfsvoering. In 2025 besloten zij de samenwerking te beëindigen en stelden een beëindigingsovereenkomst op waarin de financiële afwikkeling werd geregeld.

Eiseres vorderde een bedrag van € 2.301,07 als haar aandeel in resterende banksaldi, stellende dat deze als winst uit de samenwerking kwalificeren. Gedaagde betwistte dit en vorderde in reconventie dat de beëindigingsovereenkomst bindend is en partijen na afrekening geen verdere verplichtingen hebben.

De kantonrechter oordeelde dat de resterende banksaldi niet als winst uit de samenwerking kunnen worden gekwalificeerd. De winst over 2023 en 2024 was correct uitbetaald en de finale kwijting in de beëindigingsovereenkomst sluit verdere vorderingen uit. Ook werd vastgesteld dat eiseres artikel 21 Rv Pro schond door een foutieve samenwerkingsovereenkomst te overleggen.

De vorderingen van eiseres in conventie werden afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, die werden vastgesteld op € 50,00 plus betekenkosten. De veroordeling is niet uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering eiseres afgewezen; beëindigingsovereenkomst bindend en finale kwijting sluit verdere financiële verplichtingen uit.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11968947 \ UC EXPL 25-9063
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Armaere B.V., h.o.d.n. Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] , handelende onder de naam [bedrijf],
wonende in [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- een nadere akte van [eiseres] met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 27 februari 2026. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door mr. D.C.E. Werter, werkzaam bij Armaere B.V. [gedaagde] is in persoon verschenen. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
2.1.
Partijen hebben in 2020 een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor een gezamenlijke bedrijfsvoering voor [bedrijf] . Het betrof een samenwerkingsverband tussen twee natuurlijke personen, waarin partijen activiteiten uitvoerden. In 2025 hebben partijen besloten met de samenwerking te stoppen en daartoe een beëindigingsovereenkomst opgesteld voor – onder andere – de financiële afwikkeling daarvan. [eiseres] meent dat die financiële afwikkeling niet juist door [gedaagde] is gedaan. [eiseres] vordert in conventie daarom een bedrag van € 2.301,07, rente en kosten. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] vordert in reconventie dat voor recht wordt verklaard dat de beëindigingsovereenkomst bindend is en dat partijen na de afrekening van 13 mei 2025 geen financiële verplichtingen meer jegens elkaar hebben. De kantonrechter wijst de vorderingen in conventie af en de vordering in reconventie toe. Dit wordt hieronder uitgelegd.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[eiseres] stelt op grond van de beëindigingsovereenkomst, gesloten op 14 januari 2025, in combinatie met de oorspronkelijk gesloten samenwerkingsovereenkomst, nog recht te hebben op de helft van het restant aan
banksaldi op de rekeningenvan [bedrijf] zoals deze saldi op het moment dat de samenwerking tussen partijen werd beëindigd waren, minus de al uitbetaalde winst over 2023 en 2024. Voor [eiseres] komt dit neer op een bedrag van € 2.301,07. Concreet doet [eiseres] een beroep op artikel 8 en Pro 13 van de samenwerkingsovereenkomst en artikel 2 en Pro 3 van de beëindigingsovereenkomst. Deze bepalingen zijn voor zover relevant als bijlage bij dit vonnis gevoegd.
3.2.
[eiseres] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de afspraak in de samenwerkingsovereenkomst voor het gelijkelijk (50-50) verdelen van de winsten en verliezen uit de samenwerking onverminderd geldt, omdat daarover in de beëindigingsovereenkomst geen (afwijkende) afspraken zijn gemaakt. Uit artikel 2 en Pro 3 van de beëindigingsovereenkomst volgt volgens [eiseres] namelijk alleen dat de winst over 2024 nog door de boekhouder zal worden berekend en dat daarna de winst over 2024 en het restant aan winst over 2023 tussen partijen worden verdeeld en vanuit de banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] worden uitbetaald. Over de verdeling van de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] zijn in de beëindigingsovereenkomst dus geen concrete afspraken gemaakt.
3.3.
Volgens [eiseres] was het echter wel de bedoeling van partijen om de banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] , na de gelijkelijke verdeling van de winst over 2024 en het restant aan winst over 2023, tussen partijen te verdelen. Volgens [eiseres]
kwalificerende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] namelijk ook als winst. In dit verband heeft [eiseres] toegelicht dat de samenwerking met betrekking tot [bedrijf] zonder startvermogen is begonnen en dat in artikel 13 van Pro de samenwerkingsovereenkomst is afgesproken dat er binnen de samenwerking geen vermogen wordt opgebouwd en dat de winst- en verliesrekening jaarlijks wordt verrekend. Volgens [eiseres] kan het dus niet anders dan dat de banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] – per abuis – niet eerder uitgekeerde winst over de jaren 2020 tot en met 2022 betreft, waar zij dus op grond van de afspraak in de samenwerkingsovereenkomst nog steeds voor de helft recht op heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [eiseres] ook verwezen naar door haar overgelegde dagboekjournalen van de rekeningen van [bedrijf] .
3.4.
Hoewel partijen in artikel 3 van Pro de beëindigingsovereenkomst elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend, is [eiseres] van mening dat zij hierdoor niet
haar aanspraak op de helft van de banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] , te kwalificeren als winst, heeft verloren. Volgens [eiseres] is de finale kwijting tot stand gekomen in de veronderstelling dat er na uitkering van de winst over 2024 en het restant aan winst over 2023 geen positief banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] zouden resteren. Dit was volgens [eiseres] de voorgaande jaren ook niet het geval geweest. [eiseres] achtte de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] dus gelijk aan de nog te berekenen en uit te betalen winst voor 2024 en het restant aan winst over 2023. Nu achteraf wel sprake bleek van een resterend positief banksaldi, te kwalificeren als winst, strekt de finale kwijting zich volgens [eiseres] niet uit tot haar aanspraak op de helft van die banksaldi.

4.De beoordeling

in conventie
De in de beëindigingsovereenkomst neergelegde afspraken
4.1.
In artikel 2 en Pro 3 van de beëindigingsovereenkomst hebben partijen – samengevat – het volgende vastgelegd:
  • de banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] hebben partijen per 1 januari 2025 eigenlijk vastgesteld op € 3.921,11;
  • het restant aan winst over 2023 en de gehele winst over 2024 betalen partijen vanuit deze vastgestelde banksaldi aan henzelf uit;
  • het restant aan winst over 2023 is voor iedere partij vastgesteld op € 68,93;
  • de winst over 2024 was op het moment van ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst nog niet bekend en zou nog zo spoedig mogelijk door de boekhouder worden berekend, waarna partijen aan henzelf ieder de helft van deze winst vanuit de vastgestelde banksaldi uitbetalen;
  • na het verrichten van de voorgaande handelingen hebben partijen vervolgens niets meer van elkaar te vorderen.
4.2.
Gelet op het voorgaande, constateert de kantonrechter dat partijen in de beëindigingsovereenkomst geen specifieke afspraken hebben gemaakt over een verdeling van de resterende banksaldi van € 3.921,11 op de rekeningen van [bedrijf] na uitbetaling van de winst over 2023 en 2024 en de
kwalificatievan de resterende saldi.
De kwalificatie van de banksaldi
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de winst over 2024 en (het restant aan winst over) 2023 correct aan eenieder is uitbetaald.
4.4.
In deze procedure is tussen partijen in geschil of de banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] , na de uitbetaling van de (restant)winst over 2023 en 2024 (hierna te noemen: de resterende banksaldi’), kwalificeren als
winsten
daarombij het beëindigen van de samenwerking gelijkelijk tussen partijen had moeten worden verdeeld. [eiseres] meent van wel en [gedaagde] meent van niet.
4.5.
Als de resterende banksaldi niet kwalificeren als winst, dan ligt de vordering van [eiseres] voor afwijzing gereed en behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking. Als de resterende banksaldi wel kwalificeren als winst, dienen de overige stellingen in conventie van partijen te worden besproken.
4.6.
Voor de vraag of de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] bij het beëindigen van de samenwerking gelijkelijk tussen partijen had moeten worden verdeeld, is het allereerst van belang om te beoordelen of die banksaldi kan worden gekwalificeerd als ‘winst’ uit het samenwerkingsverband. [eiseres] beroept zich namelijk enkel en alleen op gemaakte afspraken en partijbedoelingen met betrekking tot het gelijkelijk verdelen van
winstuit het samenwerkingsverband.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] , na uitbetaling van de winst over 2023 en 2024, moet worden gekwalificeerd als winst. Dat de samenwerking tussen partijen met betrekking tot [bedrijf] zonder startvermogen is begonnen en dat in de samenwerkingsovereenkomst destijds is afgesproken dat er binnen de samenwerking geen vermogen wordt opgebouwd en dat de winst- en verliesrekening jaarlijks zou worden verrekend, maakt niet dat [eiseres] zonder meer mag aannemen dat het resterende positieve banksaldi winst betreft waar zij voor de helft aanspraak op heeft. Hierover wordt het volgende overwogen.
4.8.
[eiseres] heeft in relatie tot de overeengekomen finale kwijting verklaard dat die tot stand is gekomen in de veronderstelling dat na de uitkering van de winst over 2024 en het restant aan winst over 2023 er geen positief banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] zou resteren. De voorgaande jaren was dat volgens [eiseres] namelijk ook niet het geval geweest. Omdat het samenwerkingsverband tussen partijen in 2020 is aangevangen, begrijpt de kantonrechter dit standpunt van [eiseres] zo dat in de jaren 2020 tot en met 2022 blijkbaar geen sprake is geweest van positief banksaldi na het uitkeren van de winst. Dit standpunt staat haaks op het standpunt van [eiseres] dat ‘het niet anders kan’ dan dat de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] per abuis niet eerder uitgekeerde winst over de jaren 2020 tot en met 2022 betreft. Voor die jaren zou de winst volgens [eiseres] immers zo zijn afgerekend dat er geen positief banksaldi resteerde. Er zijn daarbij ook geen indicaties dat de winst over de eerdere jaren foutief is afgerekend. Daartoe heeft [eiseres] verder ook niets gesteld.
4.9.
Uit de door [eiseres] overgelegde dagboekjournalen van de rekeningen van [bedrijf] kan evenmin worden afgeleid dat de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] winst uit het samenwerkingsverband betreft. [eiseres] heeft de overgelegde dagboekjournalen verder niet toegelicht en [gedaagde] heeft op de zitting gemotiveerd aangevoerd dat de dagboekjournalen onzorgvuldig door de boekhouder zijn opgesteld, wat [eiseres] niet heeft weersproken. Dit maakt dat ook uit de dagboekjournalen niet kan volgen dat de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] gekwalificeerd kan worden als winst uit het samenwerkingsverband.
4.10.
Omdat ook nergens anders uit is gebleken dat de resterende banksaldi op de rekeningen van [bedrijf] winst uit het samenwerkingsverband betreft, is dit niet komen vast te staan. Dat leidt er reeds toe dat, nu [eiseres] zich enkel en alleen op gemaakte afspraken en partijbedoelingen met betrekking tot het gelijkelijk verdelen van
winstuit het samenwerkingsverband beroept, de vorderingen van [eiseres] in conventie worden afgewezen.
De overige stellingen van partijen behoeven dan ook geen bespreking.
Aan het beroep op artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden geen gevolgen verbonden
4.11.
Volgens [gedaagde] zou [eiseres] niet volledig en naar waarheid hebben verklaard. Hierbij heeft [gedaagde] erop gewezen dat [eiseres] een foutieve en niet ondertekende versie van de samenwerkingsovereenkomst heeft overgelegd. De kantonrechter vat dit standpunt op als een beroep op artikel 21 Rv Pro.
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat zij verkeerd door [eiseres] is voorgelicht. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] erkend dat de door haar overgelegde versie van de samenwerkingsovereenkomst foutief was. Het ging namelijk om een niet-ondertekende versie, die ook tekstueel afweek van de uiteindelijk door partijen op 22 januari 2020 ondertekende samenwerkingsovereenkomst. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht dat zij ten tijde van de betekening van de dagvaarding op 10 november 2025 niet meer over de goede versie beschikte, maar heeft zij erkend dat zij in ieder geval op 7 januari 2025 wel over de juiste versie beschikte. [gedaagde] heeft de goede versie op die datum namelijk op verzoek van [eiseres] aan haar toegestuurd. Toch heeft [eiseres] er niet voor gekozen om die goede versie vervolgens in deze procedure te overleggen, terwijl het een relevant document in deze procedure betreft en dit daarom wel van haar had mogen worden verwacht. Artikel 21 Rv Pro is daardoor geschonden.
4.13.
De kantonrechter kan uit een schending van artikel 21 Rv Pro de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, ziet de kantonrechter geen aanleiding om tot verdere gevolgtrekkingen te beslissen. De kantonrechter is van oordeel dat met de constatering dat [eiseres] artikel 21 Rv Pro heeft geschonden, voldoende recht is gedaan.
[eiseres] moet de proceskosten in conventie betalen
4.14.
[eiseres] is in conventie in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [1] Dit betekent dat [eiseres] haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [gedaagde] aan haar moet betalen. [gedaagde] is op de mondelinge behandeling verschenen om in persoon te procederen. Er worden daarom zogenoemde verletkosten begroot, omdat zij daardoor (mogelijk) inkomsten is misgelopen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing).
Niet uitvoerbaar bij voorraad
4.15.
De veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat niet heeft gevraagd.
in reconventie
De eis in reconventie wordt toegewezen
4.16.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] haar eis in reconventie tot vaststelling dat de door [eiseres] ingebrachte samenwerkingsovereenkomst geen rechtskracht heeft en bij de beoordeling moet worden uitgegaan van het door [gedaagde] overgelegde ondertekende exemplaar, ingetrokken. De primaire gevorderde verklaring van recht dat de beëindigingsovereenkomst van 14 januari 2025 bindend is en dat partijen na de afrekening van 13 mei 2025 geen financiële verplichtingen meer jegens elkaar hebben, wordt toegewezen. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat er op 14 januari 2025 een beëindigingsovereenkomst is gesloten en dat die bindend is. In geschil is of er naar aanleiding van die beëindigingsovereenkomst nog financiële verplichtingen over en weer bestaan. De kantonrechter is op basis van de beëindigingsovereenkomst van oordeel dat dit niet het geval is.
4.18.
In de beëindigingsovereenkomst is opgenomen dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen, na de uitbetaling van de winst over 2023 en 2024. Partijen zijn het erover eens dat de uitbetaling van die winst op 13 mei 2025 heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat partijen op grond van de samenwerkingsovereenkomst verder niets meer van elkaar te vorderen hebben. De stelling van [eiseres] dat de finale kwijting zich niet uitstrekt tot haar aanspraak op de helft van de resterende banksaldi, wat in conventie overigens niet is komen vast te staan, leidt niet tot een andere conclusie. Het verlenen van finale kwijting dient ervoor om onzekerheid bij partijen weg te nemen en toekomstige claims te voorkomen. Het ondervangt dus ook de situatie waarin één partij door eigen toedoen een andere voorstelling van zaken had bij het verlenen van de finale kwijting. Er is verder ook niet van bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat van de overeengekomen finale kwijting moet worden afgeweken en/of niet geldig zou zijn.
4.19.
Omdat de primair gevorderde verklaring van recht wordt toegewezen, komt de kantonrechter aan de beoordeling van de subsidiair gevorderde verklaring van recht niet toe.
De proceskosten in reconventie worden vastgesteld op nihil
4.20.
[eiseres] is in reconventie in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. De proceskosten in reconventie van [gedaagde] worden, vanwege de verwevenheid van de vordering met de beoordeling in conventie, op nihil vastgesteld.
Niet uitvoerbaar bij voorraad
4.21.
De veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat niet heeft gevraagd.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten; [eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] van € 50,00 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat de beëindigingsovereenkomst van 14 januari 2025 tussen partijen bindend is en dat partijen na de afrekening van 13 mei 2025 geen financiële verplichtingen meer jegens elkaar hebben;
5.4.
veroordeelt [eiseres] in de kosten en stelt de proceskosten van [gedaagde] in reconventie vast op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
LHJ/63796
Bijlage bij het vonnis: relevante bepalingen uit de samenwerkings- en beëindigingsovereenkomst
In artikel 8 van Pro de samenwerkingsovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“De winsten en verliezen van de samenwerking worden gelijkelijk (50-50) over beide partijen verdeeld. (…)”.
In artikel 13 van Pro de samenwerkingsovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“In de samenwerking wordt geen vermogen opgebouwd en wordt de winst- en verliesrekening jaarlijks verrekend. (…)”.
In artikel 2 van Pro de beëindigingsovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“ [gedaagde] vraagt [naam 1] , om zo snel als mogelijk, nadat [gedaagde] haar de input voor de btw-aangifte over Q4 heeft gestuurd, de winst over 2024 uit te rekenen, zodat [eiseres] en [gedaagde] het restant van de winst, na aftrek van de maandelijkse voorschotten, aan zichzelf kunnen uitbetalen.”
In artikel 3 van Pro de beëindigingsovereenkomst is het volgende opgenomen:
“Het saldo van de betaalrekening is per 31-12-2024 EUR 752,78. Hier ontbreekt nog een gestorneerde betaling van dient [naam 2] ad EUR 890,96. Daarmee is het eigenlijke saldo op 31-12-2024 EUR 1643,74. Het saldo van de spaarrekening is EUR 2.200. Op 01-01-2025 is er EURO 77,37 rente ontvangen over de periode daarvoor. Dat maakt het totale banksaldo EUR 3.921,11. Zodra de winst over 2024 bekend is, betalen [eiseres] en [gedaagde] zichzelf vanuit deze EUR 3.921,11 eenieder de helft van de winst (na aftrek van de reeds ontvangen voorschotten en mits de winst over 2024 niet minder is dan de reeds betaalde voorschotten in 2024). Ook het nog niet uitbetaalde winstrestant over 2023 (id est EUR 68,93 p.p.) wordt uit deze EUR 3.921,11 betaald. Daarna hebben zij niets meer van elkaar te vorderen.”

Voetnoten

1.Zie artikel 237 lid 1 Rv Pro.