Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op te leggen. Het CBR baseerde dit op het feit dat eiser zonder gegronde reden had geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek, terwijl eerdere speeksel- en blaastests vermoedens van rijden onder invloed van verdovende middelen en alcohol bevestigden.
De rechtbank oordeelt dat uit het proces-verbaal van de politie en de overige dossierstukken blijkt dat eiser bij kennis was en geen objectief beletsel had om aan het bloedonderzoek mee te werken. Er was geen medische verklaring die fysieke of mentale ongeschiktheid aantoonde. Het feit dat eiser mogelijk andere zaken aan zijn hoofd had, vormt geen gegronde reden voor weigering.
Gezien de eerdere deelname van eiser aan een cursus over drugs in het verkeer (EMD) in de afgelopen vijf jaar, acht het CBR het opleggen van een onderzoek naar drugsgebruik gerechtvaardigd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser het onderzoek moet ondergaan en geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.