Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1519

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/5073
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 18 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 23 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR mag onderzoek naar drugsgebruik opleggen na weigering bloedtest

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) om aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op te leggen. Het CBR baseerde dit op het feit dat eiser zonder gegronde reden had geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek, terwijl eerdere speeksel- en blaastests vermoedens van rijden onder invloed van verdovende middelen en alcohol bevestigden.

De rechtbank oordeelt dat uit het proces-verbaal van de politie en de overige dossierstukken blijkt dat eiser bij kennis was en geen objectief beletsel had om aan het bloedonderzoek mee te werken. Er was geen medische verklaring die fysieke of mentale ongeschiktheid aantoonde. Het feit dat eiser mogelijk andere zaken aan zijn hoofd had, vormt geen gegronde reden voor weigering.

Gezien de eerdere deelname van eiser aan een cursus over drugs in het verkeer (EMD) in de afgelopen vijf jaar, acht het CBR het opleggen van een onderzoek naar drugsgebruik gerechtvaardigd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser het onderzoek moet ondergaan en geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het CBR-besluit tot oplegging van een onderzoek naar drugsgebruik wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5073

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.D. Polat),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen. Aan dat besluit heeft het CBR ten grondslag gelegd dat eiser geweigerd heeft om aan een bloedonderzoek mee te werken terwijl er gelet op een afgenomen speekseltest en blaastest vermoedens bestonden dat hij had gereden onder invloed van verdovende middelen en alcohol. Omdat eiser in de afgelopen vijf jaar al eerder aan een cursus over drugs in het verkeer (EMD) had deelgenomen, gaat het CBR over tot het opleggen van een onderzoek naar zijn drugsgebruik.
1.1.
Met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
2. In deze zaak gaat het om de vraag of het CBR eiser een onderzoek naar zijn drugsgebruik heeft mogen opleggen. De rechtbank vindt dat dit zo is en geeft eiser daarom geen gelijk.
2.1.
Het CBR heeft zijn conclusie dat eiser het bloedonderzoek heeft geweigerd gebaseerd op een proces-verbaal van de politie van 21 mei 2025. Daaruit volgt dat eiser bij kennis was en dat hij over het bloedonderzoek verklaarde dat hij “
dat nu niet kon” en “
dat hij wel iets anders aan zijn hoofd had”.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit dit proces-verbaal en de overige stukken in het dossier op geen enkele wijze blijkt dat eiser niet in staat was om aan het bloedonderzoek mee te werken. Er is geen medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat dit mentaal of fysiek niet mogelijk of onwenselijk was. De stukken in het dossier wijzen in feite op het tegendeel omdat eiser bij kennis was en er door het ziekenhuis eerder die dag al bloed bij hem was afgenomen. Het mag zo zijn dat eiser op dat moment andere dingen aan zijn hoofd had, maar daaruit volgt geen objectief beletsel om mee te werken aan het bloedonderzoek. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiser zonder gegronde reden heeft geweigerd om mee te werken aan het bloedonderzoek.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat het CBR gelet op die conclusie in samenspraak met de na het ongeval afgenomen speekseltest en blaastest het vermoeden heeft kunnen afleiden dat eiser onder invloed van verdovende middelen een motorscooter heeft bestuurd en dat hij daarom niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke geschiktheid. Omdat eiser in de afgelopen vijf jaren al eerder een EMD heeft gevolgd heeft het CBR in dit geval terecht overwogen dat eiser een onderzoek naar zijn drugsgebruik moet ondergaan. [1]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij dus een onderzoek naar zijn drugsgebruik moet laten doen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, sub a, artikel 18, sub c en artikel 23, eerste lid, sub f, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.