Art. 307 SrArt. 309 SrArt. 9 Wet op de economische delictenArt. 22c Wet op de economische delictenArt. 22d Wet op de economische delicten
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Dood door schuld na onveilige werkzaamheden aan rookgasafvoer door niet-gecertificeerde dakdekker
Op 2 december 2023 verwijderde de verdachte, een niet-gecertificeerde dakdekker, de rookgasafvoer van een cv-ketel in de schuur van de slachtoffers en sloot het gat in het dak af, waardoor koolmonoxide vrijkwam. De slachtoffers overleden aan koolmonoxidevergiftiging.
De verdachte stelde een alternatieve constructie te hebben aangebracht om rookgas af te voeren, maar de rechtbank achtte dit niet aannemelijk vanwege ontbrekende bewijzen en onwaarschijnlijkheden. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zeer onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig handelde, maar niet roekeloos in juridische zin.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 240 uur. Tevens werd een schadevergoeding van ruim €83.000 toegekend aan de kinderen van de slachtoffers, inclusief immateriële schade (affectieschade).
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur taakstraf wegens dood door schuld en werken zonder certificaat; schadevergoeding van ruim €83.000 aan nabestaanden toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-324143-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte], geboren op [1979] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1.Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 maart 2026. Het onderzoek is gesloten op 14 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. J.P. Jansen;
mr. R.J.H. Titahena, als waarnemer voor mr. J. Leyten, de advocaat van de verdachte;
de benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;
de advocaat van de benadeelde partijen: mr. C.H. Dijkstra.
2.Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 2 december 2023 te Loosdrecht, als dakdekker roekeloos, althans zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam en/of nalatig werkzaamheden heeft verricht aan de rookgasafvoer van de cv-ketel in de schuur aan de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , als gevolg waarvan grote hoeveelheden koolmonoxide zijn vrijgekomen waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden;
feit 2
op 2 december 2023 te Loosdrecht werkzaamheden aan de rookgasafvoer van de cv-ketel heeft verricht, terwijl hij niet beschikte over het daarvoor vereiste certificaat.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3.Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, en daarbij, voor wat betreft feit 1, roekeloos heeft gehandeld.
Het standpunt van de officier van justitie wordt - voor zover van belang voor de beoordeling - nader besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1, omdat niet kan
worden bewezen dat het overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: de slachtoffers) is veroorzaakt door de werkzaamheden van de verdachte, uitgaande van de wijze waarop hij de cv-ketel volgens hem heeft achtergelaten. Dit betekent dat het vereiste causaal verband ontbreekt.
Ook heeft het handelen van de verdachte, gelet op de wijze waarop hij de cv-ketel heeft achtergelaten, niet geleid tot een dusdanig risico op het ontstaan van een fatale koolmonoxidevergiftiging dat het overlijden van de slachtoffers redelijkerwijs aan hem is toe te rekenen. Het verweer wordt - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
De verdediging heeft zich voor het bewijs van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
De toedracht
Uit het dossier blijkt dat het volgende is gebeurd.
Op zondag 3 december 2023, rond 16:00 uur, komt de familie van de slachtoffers aan bij de woning van de slachtoffers aan de [adres] in [woonplaats] . De gordijnen zitten op dat moment dicht en de deur wordt niet opengedaan. Dat vinden ze vreemd, omdat de familie die avond uit eten zou gaan om de verjaardag van mevrouw [slachtoffer 2] te vieren. De kleindochter kijkt daarop door de brievenbus en ziet iemand in de hal op de grond liggen. Daarop slaat de familie de ruiten van de voordeur in en gaat de schoonzoon de woning in. Hij treft in de gang en in de woonkamer de levenloze lichamen aan van meneer [slachtoffer 1] (87) en mevrouw [slachtoffer 2] (83). De hulpdiensten komen ter plaatse, maar zij kunnen niets meer voor de slachtoffers betekenen.
Vervolgens merkt de politie de woning aan als plaats delict. Er zijn geen sporen van braak. In de woning wordt geen koolmonoxide (CO) gemeten. Wel valt op dat de deur van de schuur op een kier staat, wat volgens de zoon van de slachtoffers heel ongebruikelijk is. Als de politie ongeveer een uur later de deur van de schuur verder open doet, blijkt dat er rond het plafond van de schuur zichtbaar witte rook hangt en dat in de schuur een cv-ketel hangt die in werking is. Aan de bovenzijde van deze cv-ketel blijkt geen afvoerkanaal aangesloten, waardoor de uitlaatgassen van de cv-ketel rechtstreeks de schuur in worden geblazen. Het gat in het dak waardoor de rookgasdoorvoer naar buiten zou moeten lopen blijkt afgedicht met dakbedekking. Als in de schuur een meting naar koolmonoxide wordt gedaan blijkt de met dat meetapparaat maximaal meetbare waarde koolmonoxide aanwezig te zijn (meer dan 999 ppm [1] ).
De schouwarts concludeert dat bij zowel mevrouw [slachtoffer 2] als meneer [slachtoffer 1] het overlijden het gevolg is geweest van een koolmonoxidevergiftiging. Het tijdstip van overlijden van mevrouw [slachtoffer 2] wordt, afhankelijk van de omgevingstemperatuur, geschat tussen 2 december 2023 om 16:34 uur en 3 december 2023 om 5:52 uur. Het tijdstip van overlijden van de heer [slachtoffer 1] wordt geschat tussen 2 december 2023 om 14:33 uur en 3 december 2023 om 7:51 uur.
Uit onderzoek blijkt dat de verdachte als dakdekker, ten behoeve van zijn werkzaamheden aan het dak van de schuur van de slachtoffers, de rookgasdoorvoer van de cv-ketel van de slachtoffers heeft verwijderd en het gat in het dak waar die rookgasafvoer doorheen voerde, heeft dichtgemaakt met dakbedekking en zo heeft achtergelaten op 2 december 2023. Deze schuur grensde direct aan het huis van de slachtoffers.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (dood door schuld) en feit 2 (werken zonder certificaat) zijn bewezen.
De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen feit 1
Het juridisch kader
De verdachte wordt onder feit 1, kort gezegd, verweten dat meneer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] door zijn schuld zijn overleden.
Van schuld in de zin van artikel 307 vanPro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake als een verdachte een bepaald gevolg (de dood) niet heeft willen veroorzaken, maar hem dat gevolg toch verweten kan worden, omdat de persoon in kwestie niet alleen anders kon handelen (vermijdbaar) maar ook anders had moeten handelen (verwijtbaar). Daarbij is niet elke fout die iemand maakt voldoende om in strafrechtelijke zin te kunnen spreken van schuld. Het moet gaan om een verwijtbare, evidente, grotere fout. In strafrechtelijke bewoordingen: er moet minimaal sprake zijn van ‘aanmerkelijke schuld’ om tot een veroordeling te kunnen komen. Een en ander wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het uiteindelijke gevolg van de gedragingen van de verdachte weegt niet mee bij deze beoordeling. Hoe ernstig de gevolgen ook zijn geweest, de schuld moet beoordeeld worden zonder het uiteindelijke gevolg daarin mee te wegen.
Hierbij geldt dat in bepaalde situaties bovendien een grotere verantwoordelijkheid kan rusten op een verdachte die een beroepsbezigheid vervult. In dat geval is een verdachte tot meer nadenken, kennis, beleid en oplettendheid verplicht dan ‘de mens’ in het algemeen. Deze bijzondere verantwoordelijkheid, ook wel “Garantenstellung” genoemd, werkt door bij het vaststellen van de schuld. Verder is voor schuld vereist dat tussen de gemaakte fout en het gevolg (in dit geval de dood) voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat en dat het gevolg voldoende voorzienbaar was. Het juridische criterium om dit vast te stellen, is het toerekenen naar redelijkheid.
Het handelen van de verdachte
Met inachtneming van dit juridisch kader overweegt de rechtbank als volgt.
Op 2 december 2023 heeft de verdachte, ten behoeve van zijn werkzaamheden aan het dak van de schuur van de slachtoffers, de rookgasdoorvoer van de cv-ketel van de slachtoffers verwijderd en het gat in het dak waar die rookgasafvoer doorheen voerde, dichtgemaakt met dakbedekking. De verdachte heeft zijn werkzaamheden voor die dag afgerond zonder een daarvoor bestemde rookgasafvoer terug te plaatsen op de cv-ketel.
Dit is ook hoe de politie de schuur van de slachtoffers op zondag 3 december 2023 heeft aangetroffen. Een in bedrijf zijnde cv-ketel, zonder daarop gemonteerde rookgasafvoer, waardoor het koolmonoxide houdende rookgas van die cv-ketel direct de schuur in werd geblazen. Uit een reconstructie door deskundigen van Kiwa is gebleken dat het rookgas onder die omstandigheden via kieren bij het plafond van de schuur tot de achtergelegen woonruimte van de slachtoffers kon doordringen, waarbij, binnen enkele uren, een dodelijke concentratie koolmonoxide in de woonruimte wordt bereikt. Het feit dat de schuurdeur daarbij op een kier stond, kon dat niet voorkomen, maar leidde er juist toe dat het rookgas sneller van de schuur naar de woonruimte werd verplaatst, zo bleek uit die reconstructie.
Het door de verdachte geschetste scenario
De verdachte heeft evenwel betoogd dat dit níet de situatie is die hij die dag heeft achtergelaten. De verdachte heeft verklaard dat het die zaterdag (2 december 2023) niet lukte om de cv-ketel weer aan te sluiten op de dakdoorvoerset omdat de plakplaat – waardoor die rookgasafvoer voert - die hij bij zich had niet de juiste afmetingen had en hij daar op zaterdagmiddag ook niet meer aan kon komen (hoewel hij dat wel nog heeft geprobeerd). De cv-ketel kon daardoor eigenlijk niet gebruikt worden. Omdat het dat weekend erg koud was heeft hij, op verzoek van en in overleg met de slachtoffers, een tijdelijke constructie gemaakt zodat de slachtoffers in het weekend gebruik konden blijven maken van de cv-ketel.
Volgens de verdachte heeft hij de volgende constructie gemaakt om het rookgas af te voeren uit de schuur:
In het voor rookgas bedoelde bochtstuk – binnenmaat 80 mm – dat ten behoeve van de (verwijderde) rookgasafvoer op de cv-ketel zit, heeft de verdachte een pvc-buis –buitenmaat 80 mm – gestoken, welke pvc-buis hij door de openstaande schuurdeur naar buiten heeft geleid. Dit paste precies. Daarbij stak die pvc-buis, aldus de verdachte, ongeveer een halve meter uit de schuur. Hierdoor zou het rookgas vanuit de ketel naar buiten de schuur worden afgevoerd. Deze pvc-buis was ongeveer 4 meter lang; de verdachte had die naar eigen zeggen gezaagd uit een langere buis van ongeveer 6 meter.
Vervolgens heeft de verdachte een gasfles van zo’n 25 kilo op het dak van de schuur gezet en deze boven de schuurdeur geplaatst. Tussen die gasfles en de pvc-buis heeft verdachte een met blauwe mantel omhulde koperdraad gespannen teneinde de pvc-buis op zijn plaats te houden. Om ervoor te zorgen dat de schuurdeur niet dicht kon waaien, is daar iets zwaars tegenaan gezet door meneer [slachtoffer 1] ; de verdachte kan niet zich niet herinneren wat dat precies was. Hiermee was volgens de verdachte een voldoende veilige constructie gerealiseerd. Deze constructie moet vervolgens na zijn vertrek door iemand anders zijn verwijderd, aldus de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank over het alternatieve scenario van de verdachte
De rechtbank oordeelt dat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte daadwerkelijk de door hem geschetste constructie heeft aangebracht voor de rookgasafvoer van de cv-ketel.
Dit oordeel is gebaseerd op het volgende:
De verdachte heeft verklaard da hij voor zijn constructie een ongeveer 4 meter lange pvc-buis heeft gebruikt die hij ter plaatse heeft afgezaagd van een ongeveer 6 meter lange pvc-buis. Er is in en om de woning van de slachtoffers echter geen pvc-buis aangetroffen die lang genoeg was om, gerekend vanaf het bochtstuk op de cv-ketel, nog (ongeveer) een halve meter uit de schuurdeur te kunnen steken. Een dusdanig lange pvc-buis is ook niet gezien door de zoon van de verdachte [2] en de stagiair van die dag [3] , terwijl zij beiden wel aanwezig waren bij de werkzaamheden op het moment waarop de verdachte zegt de buis vanaf zijn bus te hebben meegenomen: zaterdagochtend 2 december 2023 [4] . De pvc-buis die wél is aangetroffen in de nabijheid van de schuur van de slachtoffers, was te kort voor de door de verdachte omschreven constructie, namelijk slechts 208 centimeter [5] terwijl de afstand van cv-ketel tot schuurdeur al 258 centimeter was [6] .
Bovendien had deze pvc-buis geen krassporen, wat wel het geval zou zijn geweest als de pvc-buis op de cv-ketel aangesloten zou zijn geweest [7] .
Ook is de met een blauwe mantel omhulde koperdraad die de verdachte zegt te hebben gebruikt ter plaatse niet aangetroffen.
Verder stond er op zondagavond 3 december 2023 geen gasfles op het dak boven de schuurdeur. Er stond wel een gasfles op het gezamenlijke dak met de buren van nummer [nummer] , maar die gasfles stond tegen het balkon van de buurvrouw, en dus niet in de buurt van, laat staan vlak boven de schuurdeur. Het is, naar het oordeel van de rechtbank, niet mogelijk dat de verdachte de pvc-buis, op de door hem geschetste wijze, met een stuk koperdraad van volgens de verdachte ‘een meter dubbelgevouwen’ [8] heeft kunnen ophangen aan een gasfles op die plek.
Daarbij stond het bochtstuk van de rookgasafvoer van de cv-ketel niet in de richting gedraaid van de schuurdeur, maar ongeveer 50 graden de andere kant op, wat wel voor de hand had gelegen als de verdachte daar een pvc-buis aan had bevestigd op de door hem geschetste wijze [9] .
De tussenconclusie luidt dan ook dat geen van de onderdelen van de door de verdachte omschreven constructie is aangetroffen op de plaats of in de stand waarin de verdachte zegt die te hebben achtergelaten.
Indien de verdachte die constructie wel zou hebben gerealiseerd zoals hij zegt, resteert als optie dat hetzij meneer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] , hetzij een derde, die constructie weer ontmanteld moet hebben nadat de verdachte was vertrokken. Voor een dergelijke gang van zaken bevat het dossier echter geen enkel aanknopingspunt. Daarbij is het uiterst onwaarschijnlijk dat de slachtoffers van 83 en 87 jaar oud, terwijl het rond het vriespunt was [10] , op het schuurdak zouden zijn geklommen om deze constructie ongedaan te maken en de – 25 kilo wegende – gasfles te verplaatsen, dit terwijl de tijdelijke constructie volgens de verdachte juist in overleg met hen gemaakt was zodat zij gebruik konden maken van hun cvketel. En nog onwaarschijnlijker als waar zou zijn dat de verdachte, zoals hij stelt, hen nog gewaarschuwd zou hebben voor het risico van koolmonoxide uit de cv-ketel.
Waarom een derde dit zou doen – en daarbij dan de pvc-buis en het koperdraad mee zou nemen, maar de (naar algemeen bekend is) veel waardevollere gasfles wel zou verplaatsen, maar zou laten staan – valt evenmin te bedenken.
De rechtbank oordeelt dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de cv-ketel met de constructie op de door hem geschetste wijze heeft achtergelaten. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte de cv-ketel en de schuur heeft achtergelaten op de wijze zoals de politie die op zondag 3 december 2023 heeft aangetroffen, te weten de cv-ketel in gebruik, maar zonder rookgasafvoer, en mogelijk met de schuurdeur op een kier.
De mate van schuld – zeer onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig
Zoals hiervoor is uiteengezet acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de cv-ketel heeft achtergelaten zonder deugdelijke rookgasafvoer, waardoor de cv-ketel koolmonoxide is gaan uitstoten, waarbij die koolmonoxide zich via kieren bij het plafond naar de woonruimte van de slachtoffers heeft verplaatst waardoor – uiteindelijk – de slachtoffers zijn overleden.
De verdachte was al 28 jaar dakdekker en, zo blijkt uit zijn verhoren, zeer goed op de hoogte van de gevaren van koolmonoxide. Hij noemt dat zelf – terecht – ‘een sluipmoordenaar’. [11] Juist hij had daarom, als professional die veelvuldig te maken krijgt met rookgasafvoeren als hier aan de orde en die zich bewust is van het dodelijke gevaar van koolmonoxide, beter moeten weten dan de ketel in gebruik achter te laten met – kennelijk – als enige voorzorgsmaatregel de schuurdeur op een kier. Onder die omstandigheden had de verdachte geen enkele zekerheid dat het rookgas van de ketel zich niet naar de woonruimte van de slachtoffers zou kunnen verspreiden, terwijl hij die zekerheid, juistvanwege de gevaren van koolmonoxide, wel had moeten hebben toen hij de cv-ketel in bedrijf liet.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de verdachte kennelijk dacht dat het niet zo’n vaart zou lopen met het ontstaan van koolmonoxide in de woning, zolang de schuurdeur maar open zou blijven staan. Steun daarvoor is te vinden in het feit dat de verdachte het belang van die openstaande deur een aantal malen heeft benadrukt [12] . Uit het onderzoek door Kiwa blijkt echter dat het rookgas door het open laten van de schuurdeur, en in de gegeven omstandigheden, juist sneller door de kieren in de muur van de schuur naar de woning is gaan stromen [13] , waardoor de koolmonoxide in de woning juist eerder een dodelijk niveau bereikte. Daarbij speelde een rol dat, zo volgt uit het rapport van Kiwa, de wind op die noodlottige dag precies gericht was op de openstaande schuurdeur, waardoor – zo begrijpt de rechtbank – rookgas in de schuur juist naar binnen werd geblazen.
Ter zitting is verder gebleken dat de verdachte de muur tussen de schuur en de woonruimte van de slachtoffers – naar gebleken is: ten onrechte - als veilige buffer beschouwde, echter heeft hij die muur daarbij niet kritisch geïnspecteerd om te controleren of die daadwerkelijk luchtdicht was.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee zeer onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig gehandeld.
Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van de zwaarste schuldvorm, te weten roekeloosheid (in de juridische zin), omdat niet is gebleken dat de verdachte door buitengewoon onvoorzichtig gedrag een zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen, terwijl hij zich daarvan bewust was of had moeten zijn. Hierbij benadrukt de rechtbank dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ — in de betekenis van ‘onberaden’ — wordt verstaan.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 2 december 2023 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig, werkzaamheden heeft verricht aan de rookgasafvoer van de cv-ketel in de schuur, aangebouwd aan (en horende bij) de woning van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan de [adres] te [woonplaats] , immers heeft hij, verdachte, - de rookgasafvoer van voornoemde ketel verwijderd, en - de rookgasafvoer van de cv-ketel vervolgens niet conform de veiligheidsvoorschriften en/of de installatie-instructie opnieuw aangesloten en/of gemonteerd aan een dakdoorvoerset, en - vervolgens de gedemonteerde/onjuist aangesloten cv-ketel achtergelaten en onvoldoende voorzorgsmaatregelen getroffen om enig gevaar voor personen te voorkomen, als gevolg waarvan koolmonoxide in grote hoeveelheden is vrijgekomen in die schuur en dientengevolge in die woning, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden, terwijl dit werd gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, te weten als loodgieter en/of dakdekker;
2 op 2 december 2023 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, opzettelijk, werkzaamheden, bestaande uit het installeren en/of repareren en/of onderhouden van een rookgasafvoer van een cv- ketel, welke cv-ketel was geplaatst in een schuur behorend bij een woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , in elk geval een aan een gebouw gebonden verbrandingstoestel, werkzaam op gas, bestaande uit koolstofverbindingen en bijbehorende voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, heeft uitgevoerd en heeft vrijgegeven voor gebruik, zonder dat voor die werkzaamheden werd beschikt over een certificaat, afgegeven door een instelling die door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties was aangewezen, en waarmee kenbaar werd gemaakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde natuurlijk personen of rechtspersonen de werkzaamheden uitvoeren volgens kwaliteitseisen die zijn opgenomen in een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen certificatieschema;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl het misdrijf wordt gepleegd in de uitoefening van enig beroep, meermalen gepleegd;
feit 2
overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 1b van de Woningwet, opzettelijk begaan.
4.2.
Strafbaarheid feiten en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5.Straf en/of maatregel
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 6 maanden.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat, bij een bewezenverklaring van feit 1, gelet op vergelijkbare zaken, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend is. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal leiden tot financiële problemen en mogelijk tot het faillissement van het bedrijf van de verdachte. Voor feit 2 is een voorwaardelijke geldboete op zijn plaats. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte zit ermee dat de slachtoffers zijn overleden en hij heeft ervan geleerd. Als er (ook) werkzaamheden aan een cv-ketel moeten worden verricht huurt hij sindsdien een installateur in.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 240 uren op. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot die strafoplegging gekomen is.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte die feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Toen het dak van de buurvrouw lekte hebben de slachtoffers de werkzaamheden aan het gezamenlijke dak van hun schuur uitbesteed aan een vakman; zij mochten erop vertrouwen dat de klus daarmee in goede handen was. De verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen echter diep beschaamd; als gevolg van de door hem uitgevoerde werkzaamheden en dus door zijn schuld, zijn meneer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] overleden. Dit is diep tragisch. Uit de verklaringen van [benadeelde 1] , zoon van de slachtoffers, en [benadeelde 2] , dochter van de slachtoffers, blijkt dat zij door het plotselinge overlijden van hun beide ouders, die nog midden in het leven stonden, in een nachtmerrie zijn beland. Hun leven is in één klap veranderd en de wijze waarop zij hun ouders hebben aangetroffen toen ze de verjaardag van hun moeder wilden gaan vieren, was zeer schokkend, ook voor de aanwezige kleinkinderen. De slachtoffers worden nog dagelijks gemist, juist ook in de kleine dingen.
Hoewel dit in het niet valt bij het gemis waarmee de nabestaanden moeten leven, geldt voor verdachte dat hij verder zal moeten leven met de gedachte dat hij, onbedoeld en ongewild, schuld heeft aan de dood van meneer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] en dat hij het leven van hun dierbaren onomkeerbaar heeft veranderd.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat gevallen van koolmonoxidevergiftig ook in de maatschappij leiden tot onrust en gevoelens van onveiligheid. Om het risico op koolmonoxidevergiftiging zoveel mogelijk te beperken was juist op 1 april 2023 een certificeringsplicht ingevoerd voor cvmonteurs. De verdachte beschikte niet over het vereiste certificaat, maar heeft toch werkzaamheden verricht aan de rookgasafvoer van de cv-ketel van de slachtoffers.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van de verdachte van 13 februari 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verder is van belang dat de verdachte werkt als dakdekker (zzp-er).
Strafkader
Op dit punt hecht de rechtbank eraan te benadrukken dat geen enkele straf recht kan doen aan het enorme verlies dat de nabestaanden van de slachtoffers hebben geleden.
Bij het bepalen van de soort straf en de hoogte daarvan moet de rechtbank de bewezenverklaring als uitgangspunt nemen. Er wordt bij de strafoplegging gekeken naar de (in dit geval desastreuze) gevolgen van de gemaakte fout, maar de straf moet ook en vooral in verhouding blijven met de ernst van de gemaakte fout en de mate van schuld daaraan van de verdachte. In dit geval is bewezenverklaard dat de verdachte zeer onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld. Daarmee komt de rechtbank tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, waardoor zij aan de verdachte ook een andere en lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie geëist.
De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank zal geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Zij vindt dat niet passend gelet op de omstandigheden in deze zaak en kijkend naar straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. De rechtbank heeft daarbij gelet op vergelijkbare zaken waarin een straf is opgelegd voor dood door schuld, waarbij ook de mate van schuld van betekenis is. Daaruit blijkt dat in dergelijke zaken veelal een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Het is strafverzwarend dat er twee dodelijke slachtoffers zijn gevallen en strafverhogend dat de verdachte het feit heeft gepleegd bij de uitoefening van zijn beroep.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Overschrijding van de redelijke termijn kan worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De redelijke termijn is 2 jaar. De redelijke termijn is aangevangen op 27 december 2023 omdat de verdachte op die dag voor het eerst is verhoord en hij, gelet op de omstandigheden van deze zaak, vanaf dat moment redelijkerwijs kon verwachten dat het Openbaar Ministerie een vervolging zou instellen. Gelet hierop had een eindvonnis uiterlijk op 27 december 2025 gereed moeten zijn geweest. De redelijke termijn is dus met ruim 3 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een taakstraf van 240 uren passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot:
- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uren.
6.Beslag
Tijdens het onderzoek is onder meer een pvc-buis in beslag genomen. De verdachte heeft ter zitting afstand gedaan van de pvc-buis en de officier van justitie heeft aangegeven dat de pvc-buis dient te worden vernietigd.
De rechtbank gaat er bij deze stand van zaken van uit dat geen beslissing over het beslag meer nodig is.
7.Vordering benadeelde partijen
7.1.
Vordering van de benadeelde partijen
[benadeelde 2] (dochter van de slachtoffers) heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 41.873,85 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.873,85 voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade (affectieschade). De materiële schade bestaat uit (de helft van) de kosten van de lijkbezorging en de kosten van een rouwboeket, kaarten en postzegels.
[benadeelde 1] (zoon van de slachtoffers) heeft zich ook gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van in totaal € 41.379,54 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 6.379,54 voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade (affectieschade). De materiële schade bestaat uit (de andere helft van) de kosten van de lijkbezorging.
Verder verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kunnen de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen vanwege de bepleite vrijspraak voor feit 1 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
De vorderingen van de benadeelde partijen dienen, bij een veroordeling voor (alleen) feit 2, primair te worden afgewezen, omdat er in deze zaak onvoldoende verband bestaat tussen het strafbare feit en de geleden schade. Subsidiair is betoogd dat de beoordeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding vormt zodat de vorderingen nietontvankelijk zijn.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering van [benadeelde 2] tot vergoeding materiële schade van € 6.873,85 is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit 1, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade € 6.873,85 daarom geheel toe.
De vordering van [benadeelde 1] tot vergoeding materiële schade van € 6.379,54 is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit 1, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst ook deze vordering tot vergoeding van materiële schade van € 6.379,54 daarom geheel toe.
Immateriële schade (affectieschade)
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade voor de pijn en het verdriet dat zij lijden doordat hun naaste als gevolg van het strafbare feit is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
De benadeelde partijen vorderen beiden vergoeding van affectieschade voor het verlies van hun beide ouders.
De rechtbank wijst dit verzoek toe op grond van artikel 6:108 BWPro. Beide slachtoffers zijn als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden.
De benadeelde partijen hebben recht op vergoeding van affectieschade voor beide slachtoffers, omdat zij de dochter en zoon van de slachtoffers zijn.
Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de aan [benadeelde 2] toe te kennen schadevergoeding in totaal € 35.000,-.
Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de aan [benadeelde 2] toe te kennen schadevergoeding in totaal € 35.000,-.
Conclusie
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat aan [benadeelde 2] een schadevergoeding wordt toegekend van in totaal € 41.873,85 (6.873,85 + 35.000,-), waarvan € 35.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2023 tot de dag van volledige betaling en € 6.873,85 vanaf 27 maart 2024 (de op de factuur vermelde uiterste betaaldatum) tot de dag van volledige betaling.
Aan [benadeelde 1] wordt een schadevergoeding toegekend van in totaal € 41.379,54 (6.379,54 + 35.000,-), waarvan € 35.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2023 tot de dag van volledige betaling en € 6.873,85 vanaf 27 maart 2024 (de op de factuur vermelde uiterste betaaldatum) tot de dag van volledige betaling.
De schadevergoedingsmaatregel
Oplegging schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.
De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte voor [benadeelde 2] een bedrag van in totaal
€ 41.873,85 en voor [benadeelde 1] een bedrag van in totaal € 41.379,54 aan de Staat moet betalen. Het totale bedrag is € 83.253,39. Indien de verdachte aan de Staat betaalt, is hij voor dat betaalde bedrag gekweten richting de benadeelde partijen.
Dit bedrag wordt voor wat betreft de immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2023 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald en voor de materiële schade vanaf 27 maart 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald..
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 183 dagen voor de schadevergoeding aan [benadeelde 2] en voor de duur van 182 dagen voor de schadevergoeding aan [benadeelde 1] .
Met betrekking tot het bepalen van de duur van de gijzeling geldt dat in totaal niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling mag worden opgelegd. In de onderhavige zaak moet de verdachte (grote) geldbedragen aan meerdere benadeelde partijen betalen. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank heeft het aantal dagen gijzeling daarom naar evenredigheid berekend.
De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Kwijting
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8.Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen, zoals die luidden ten tijde van het bewezen verklaarde:
artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 307, 309 van het Wetboek van Strafrecht;
artikel 1a, artikel 2 enProartikel 6 vanPro de Wet op de economische delicten, artikel 1b en artikel 2 vanPro de Woningwet en artikel 1.35 van het Bouwbesluit 2012.
9.De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaaren kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaarvoor het onder paragraaf 3.5 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] met betrekking tot feit 1
- wijstde vordering van [benadeelde 2] toetot een bedrag van in totaal € 41.873,85, bestaande uit een bedrag van € 6.873,85 voor materiële schade en bedrag van € 35.000,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente voor € 35.000, vanaf 2 december 2023 tot de dag van volledige betaling en de wettelijke rente voor € 6.873,85 vanaf 27 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
- wijstde vordering van [benadeelde 1] toetot een bedrag van in totaal € 41.379,54, bestaande uit een bedrag van € 6.379,54 voor materiële schade en bedrag van € 35.000,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente voor € 35.000, vanaf 2 december 2023 tot de dag van volledige betaling en de wettelijke rente voor 6.379,54 vanaf 27 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 41.873,85 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld, bij niet betaling aan te vullen met 183 dagen gijzeling;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 41.379,54 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 182 dagen gijzeling;
Kwijting
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichtingen tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Sanders, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1 hij in of omstreeks de periode van 2 december 2023 tot en met 3 december 2023 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig, werkzaamheden heeft verricht aan (de rookgasafvoer van) de cv-ketel in de schuur, aangebouwd aan (en horende bij) de woning van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] aan de [adres] te [woonplaats] , immers heeft hij, verdachte, - (ondanks dat hij hiertoe niet bevoegd was) de rookgasafvoer van voornoemde ketel verwijderd, en/of - (de rookgasafvoer van) de cv-ketel (vervolgens) niet (conform de (veiligheids)voorschriften en/of de installatie-instructie) opnieuw aangesloten en/of gemonteerd aan een muur- of dakdoorvoerset, en/of - (vervolgens) de gedemonteerde/onjuist aangesloten cv-ketel vrij toegankelijk achtergelaten en (daarmee) onvoldoende voorzorgsmaatregelen getroffen om enig gevaar voor personen te voorkomen, als gevolg waarvan koolmonoxide in grote hoeveelheden is vrijgekomen in die schuur en dientengevolge in die woning, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn overleden, terwijl dit werd gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep, te weten als loodgieter en/of dakdekker;
( art 307 lid 1 enPro lid 2 jo. art 309 WetboekPro van Strafrecht )
2 hij in of omstreeks de periode van 2 december 2023 tot en met 3 december 2023 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, al dan niet opzettelijk, werkzaamheden, bestaande uit het installeren en/of repareren en/of onderhouden van (een rookgasafvoer van) een cv- ketel, in elk geval van een gasverbrandingstoestel en/of (bijbehorende) rookgasafvoervoorziening, welke cv-ketel was geplaatst en/of bevestigd in een (schuur behorend bij een) woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , in elk geval een aan een gebouw gebonden verbrandingstoestel, werkzaam op gas, bestaande uit koolstofverbindingen en bijbehorende voorzieningen voor de toevoer van verbrandingslucht en de afvoer van rookgas, heeft uitgevoerd en/of laten uitvoeren, en/of (vervolgens) na die werkzaamheden, dat verbrandingstoestel in bedrijf heeft gesteld en/of heeft vrijgegeven voor gebruik, zonder dat voor die werkzaamheden werd beschikt over een certificaat, afgegeven door een instelling die door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties was aangewezen, en waarmee kenbaar werd gemaakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde natuurlijk personen of rechtspersonen de werkzaamheden uitvoeren volgens kwaliteitseisen die zijn opgenomen in een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen certificatieschema;
(Artikel 1a onder tweede, 2 en 6 Wet op de economische delicten jo. artikel 1b, tweede lid, 2 Woningwet, jo artikel 1.35, eerste en tweede lid, Bouwbesluit 2012) ( art 1b lid 2 Woningwet )
De verdachte heeft op 24 maart 2026 ter zitting verklaard:
Op 2 december 2023 was ik vanwege lekkage bij de [adres] te [woonplaats] werkzaam als dakdekker/loodgieter op het gezamenlijke dak van de [adres] en de [adres] . Ik heb daarbij onder meer het dakdoorvoerset met de rookgasafvoer van de cv-ketel van de [adres] verwijderd. Ik heb nieuwe dakbedekking aangebracht en heb het dak waterdicht gemaakt. Het lukte mij die dag niet meer de dakdoorvoer van de cv-ketel te maken omdat de plakplaat die ik bij mij had niet paste en het niet lukte om die dag nog aan een passende plakplaat te komen. Toen ik de woning verliet stond de schuurdeur wagenwijd open en stond er iets zwaars voor zodat de deur niet dicht kon waaien. Ik heb de bewoners erop gewezen op het risico van koolmonoxide-vergiftiging.
Ik dacht dat de muur een veilige buffer was. Ik weet eigenlijk niet of ik goed naar de muur heb gekeken.
Ik was niet gecertificeerd om werkzaamheden te verrichten aan (de rookgasafvoer van) een cv-ketel.
In een proces-verbaal van de politie staat, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende vermeld:
“Op zondag 3 december 2023 kregen wij melding dat er twee oudere
personen, vermoedelijk overleden, waren aangetroffen in hun woning, perceel [adres] te [woonplaats] . In de woning trof ik de twee bewoners liggend op hun rug aan. Het enige dat op dat moment opviel was dat er een schuurdeur op een [15] kleine kier stond. Ik opende de schuurdeur iets verder en zag rond het plafond van deze schuur zichtbaar rook hangen. Ik zag dat er in deze schuur een cv-ketel hing. Ik zag dat er aan de bovenzijde van deze cv-ketel een afvoerkanaal niet aangesloten was. Ik zag
namelijk dat de uitlaatgassen van die cv-ketel rechtstreeks in de schuur geblazen
De duurproef begon met gesloten schuurdeur omdat de onderzoekers zich er op dat
moment niet van bewust waren dat de deur door de politie was aangetroffen op een
kier van circa 3 cm. Na 60 minuten werd de deur alsnog open gezet met 3 cm tussen de sluitkant van het kozijn en de deur.
Na de eerste 5 minuten stijgt de concentratie CO snel. Dit komt doordat de
schuur zich vult met verbrandingsgas. Het cv-toestel zuigt dit verbrandingsgas
vervolgens aan met de verbrandingslucht, zodat de verbrandingslucht vervuild raakt
(recirculatie). De verbrandingslucht heeft hierdoor onvoldoende zuurstof voor een
volledige verbranding van aardgas. Daardoor gaat het cv-toestel CO produceren. [22]
Deze CO komt in de schuur terecht en daarna in de keuken en in de woonkamer.
Concentratie CO in schuur, keuken en woonkamer
De grafiek laat zien dat er in de eerste 8 minuten nauwelijks koolmonoxide aanwezig
is in de schuur. Daarna schiet de concentratie omhoog: enkele minuten later is er een dodelijke concentratie (meer dan 1000 ppm) aanwezig in de schuur.
Enige tijd later dringt de koolmonoxide ook door in de keuken. De warme rookgassen verplaatsen zich via kieren bij het plafond vanuit de schuur naar de keuken. Warme rookgassen in een gebouw hebben de neiging om zich in lagen op te bouwen vanaf het plafond naar beneden. Het duurt daardoor enige tijd (circa 20 minuten) voordat ook in de keuken en woonkamer koolmonoxide wordt gemeten.
Nadat de schuurdeur op een kier is gezet is er een duidelijke verandering te zien:
De concentratie in de schuur daalt van circa 2800 ppm naar circa 500 ppm en de
concentratie in de keuken en woonkamer gaat sterker stijgen. Het rookgas (met
daarin CO) gaat dus sneller naar de woning stromen. [23]
Invloed van koolmonoxide op mensen in de woning
Na 105 minuten vanaf het begin van de
metingen wordt in de woning een dodelijke concentratie (meer dan 1000 ppm) gemeten.
Evaluatie en conclusie van dit hoofdstuk
De omstandigheden waaronder deze duurproef is uitgevoerd zal niet voor 100%
conform de situatie ten tijde van het ongeval zijn geweest.
Als de deur vanaf het begin op een kier staat zal er meteen een grotere stroming naar
de woning plaatsvinden, die echter minder CO bevat. Maar ook dan kan er in enkele
uren een dodelijke concentratie in de woning terechtkomen onder de gegeven
De twee dodelijke slachtoffers zijn een direct gevolg van het verwijderen van de dakdoorvoer van het cv-toestel en het aanbrengen van nieuwe dakbedekking waarbij het gat van de dakdoorvoer werd afgesloten. [25]
Voetnoten
1.ppm = parts per million
2.p. 112.
3.p. 62.
4.p. 79.
5.p. 204.
6.p. 204.
7.p. 204.
8.p. 78.
9.p. 139.
10.p. 75.
11.p. 80.
12.p. 77, p. 79.
13.p. 135.
15.Pagina 1 van het Einddossier.
16.Pagina 2 van het Einddossier.
17.Een geschrift, te weten een rapport inzet brandweer van 3 december 2023, losbladig, pagina 2.