Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1491

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
12050057 \ UE VERZ 26-12 (JH/1050)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 lid 1 BWArt. 7:677 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 BWArt. 7:686a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wegens ontbreken dringende reden

Verzoekster trad op 18 juni 2025 in dienst bij Koi Utrecht voor bepaalde tijd tot 23 december 2025. Gedurende haar dienstverband werd zij meerdere malen mondeling aangesproken op haar werkhouding, met name over frequent toiletbezoek. Op 13 november 2025 kreeg zij te horen dat er geen verbetering was en werd zij uit een groepschat verwijderd. Uit een uitlating van Koi Utrecht mocht verzoekster afleiden dat zij op staande voet werd ontslagen.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat er geen dringende reden is. Het frequent toiletbezoek was niet onaanvaardbaar hoog en had geen aantoonbare gevolgen voor het werk. Verzoekster heeft een goede verklaring gegeven voor haar gedrag. Het verweer van Koi Utrecht dat verzoekster zelf had opgezegd wordt verworpen omdat de werkgever onvoldoende onderzoek deed en niet informeerde over de gevolgen.

Verzoekster heeft recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging gelijk aan het loon over de resterende contractduur, een transitievergoeding, een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van Koi Utrecht, en uitbetaling van openstaande vakantiedagen en vakantietoeslag. De doorbetaling van loon na 13 november 2025 wordt afgewezen omdat verzoekster berust in het einde van de arbeidsovereenkomst. Koi Utrecht wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen, het verstrekken van een deugdelijke eindafrekening en de proceskosten.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; werkgever moet diverse vergoedingen en vakantiedagen betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12050057 \ UE VERZ 26-12 (JH/1050)
Beschikking van 1 april 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] (Zuid-Korea),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. D.F. Oberman,
tegen
KOI UTRECHT B.V.,
gevestigd in Utrecht,
verwerende partij,
hierna te noemen: Koi Utrecht,
procederend bij [A] , [functie 1] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] met 3 producties, door de griffie van de rechtbank ontvangen op 8 januari 2026;
  • een door Koi Utrecht overgelegde verklaring en een foto van een chatgesprek.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 4 maart 2026. [verzoekster] was aanwezig, bijgestaan door een tolk in de Koreaanse taal en haar gemachtigde. Namens Koi Utrecht was de heer [A] ( [functie 1] ) aanwezig.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. Oberman heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De kern van de zaak

[verzoekster] stelt dat zij ten onrechte door Koi Utrecht op staande voet is ontslagen. Zij verzoekt doorbetaling van loon en verschillende vergoedingen. Koi Utrecht voert verweer tegen de verzoeken en stelt dat [verzoekster] zelf ontslag heeft genomen. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] uit de uitlating van Koi Utrecht mocht begrijpen dat zij op staande voet werd ontslagen. Dit ontslag is niet rechtsgeldig omdat er geen dringende reden voor is.
De verzoeken van [verzoekster] tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding en transitievergoeding zijn daarom toewijsbaar. Koi Utrecht moet [verzoekster] ook vakantiedagen en vakantietoeslag uitbetalen. Het verzoek van [verzoekster] tot doorbetaling van loon wordt afgewezen.

3.De beoordeling

De kantonrechter is bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen
3.1.
[verzoekster] woont in het buitenland. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat Koi Utrecht is gevestigd in Utrecht en [verzoekster] werkzaam was in Utrecht, is de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland bevoegd van de verzoeken kennis te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is.
De achtergrond
3.2.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1996, is op 18 juni 2025 in dienst getreden bij Koi Utrecht in de functie van [functie 2] . De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk tot 23 december 2025, en is niet schriftelijk bevestigd. Het loon van [verzoekster] bedroeg € 2.263,17 netto per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat dit neerkomt op € 3.593 bruto per maand.
3.3.
In de periode van 5 september tot 13 november 2025 heeft de [functie 3] van Koi Utrecht [verzoekster] vier keer mondeling aangesproken op haar werkhouding. De [functie 3] van Koi Utrecht vond onder meer dat [verzoekster] veel tijd op het toilet doorbracht, waardoor haar werkzaamheden niet volledig werden uitgevoerd. In een gesprek op 30 oktober 2025 heeft de [functie 3] van Koi Utrecht [verzoekster] meegedeeld dat bij uitblijven van zichtbare verbetering van haar werkhouding voortzetting van de arbeidsovereenkomst onzeker zou zijn.
3.4.
Op 13 november 2025 heeft er weer een gesprek plaatsgevonden tussen de [functie 3] van Koi Utrecht en [verzoekster] . In dit gesprek heeft de [functie 3] van Koi Utrecht [verzoekster] meegedeeld dat er geen verbetering was waargenomen. Ook is het toiletbezoek van [verzoekster] aan de orde geweest. Volgens [verzoekster] heeft de [functie 3] van Koi Utrecht in het gesprek tegen haar gezegd: “
Go out today.” Koi Utrecht stelt dat haar [functie 3] [verzoekster] in het gesprek een laatste waarschuwing heeft gegeven. Aan het eind van de werkdag heeft [verzoekster] in de groepschat aan collega’s laten weten dat zij vanwege klachten aan haar pols genoodzaakt was haar dienstverband te beëindigen.
Koi Utrecht heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen
3.5.
[verzoekster] heeft (eerst) op de mondelinge behandeling aangevoerd dat Koi Utrecht het ontslag op staande voet op 10 september 2025 schriftelijk heeft bevestigd. [verzoekster] heeft aangeboden deze brief in het geding te brengen. De kantonrechter heeft dit stuk niet geaccepteerd omdat Koi Utrecht daar bezwaar tegen had en niet gesteld of gebleken is waarom [verzoekster] de brief niet op een eerder moment had kunnen overleggen. De kantonrechter betrekt de brief dan ook niet in zijn beoordeling.
3.6.
Dat neemt niet weg dat [verzoekster] op 13 november 2025 uit de uitlating “
Go out today” gelet op de achtergrond van het gesprek, de eerder door haar ontvangen kritiek over haar werkhouding en de inhoud van het gesprek op 30 oktober 2025, mocht begrijpen dat zij de volgende dag niet meer welkom was bij Koi Utrecht. [verzoekster] mocht deze uitlating dus opvatten als een ontslag op staande voet. Koi Utrecht heeft niet (gemotiveerd) betwist dat haar [functie 3] deze woorden in het gesprek heeft gebruikt. Als de [functie 3] van Koi Utrecht hiermee iets anders had bedoeld dan een ontslag op staande voet, had zij dit duidelijk(er) aan [verzoekster] moeten laten weten. Dat geldt temeer, nu Koi Utrecht op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat de emoties tijdens het gesprek op 13 november 2025 hoog opliepen. Koi Utrecht heeft slechts gesteld dat de insteek van het gesprek een laatste waarschuwing was, maar zij heeft niet aangegeven wat er precies tussen partijen is besproken en waaruit [verzoekster] had kunnen afleiden dat zij geen ontslag kreeg maar een waarschuwing.
3.7.
Het verweer van Koi Utrecht dat [verzoekster] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd slaagt niet. Een opzegging van een arbeidsovereenkomst kan voor een werknemer ernstige gevolgen hebben. Een werkgever mag daarom niet snel aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst in overeenstemming is met diens werkelijke wil. De werkgever moet dit onderzoeken en moet de werknemer ook over de mogelijke gevolgen van de opzegging voorlichten. Het staat vast dat Koi Utrecht dit alles niet heeft gedaan na ontvangst van het chatbericht van [verzoekster] . In tegendeel, zij heeft [verzoekster] op 13 november 2025 direct verwijderd uit de groepschat en geen contact meer met haar opgenomen.
Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
3.8.
Een ontslag op staande voet moet voldoen aan verschillende vereisten. Eén van die vereisten is dat er een dringende reden is die het ontslag rechtvaardigt. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [1] Daarvan is in dit geval geen sprake. Het enkele feit dat [verzoekster] op 13 november 2025 meerdere keren gebruik heeft gemaakt van het toilet levert geen dringende reden op. Niet gebleken is dat de frequentie van de toiletbezoeken onaanvaardbaar hoog was en/of dat dit gevolgen heeft gehad voor de werkzaamheden. [verzoekster] heeft op de mondelinge behandeling overigens ook een goede verklaring gegeven voor de frequentie van haar toiletbezoeken. Het ontslag op staande voet is dus niet rechtsgeldig.
3.9.
Uit het verzoekschrift blijkt niet duidelijk of [verzoekster] zich alleen verweert tegen de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet of ook tegen beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 13 november 2025. [verzoekster] verzoekt namelijk vergoedingen wegens een niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, maar ook doorbetaling van loon.
Nu [verzoekster] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij op 7 december 2025 naar het buitenland is vertrokken, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij berust in het einde van de arbeidsovereenkomst per 13 november 2025. Dit zal hierna ook tot uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de diverse verzoeken van [verzoekster] .
[verzoekster] heeft geen recht op doorbetaling van loon na 13 november 2025.
3.10.
Nu de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 13 november 2025 bestaat voor toewijzing van het door [verzoekster] (al dan niet bij voorlopige voorziening) verzochte loon vanaf die datum geen grond. Dat verzoek wordt dus afgewezen.
[verzoekster] heeft recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging
3.11.
De door [verzoekster] verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [2] In dit geval is er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan zonder tussentijds opzegbeding. De vergoeding is daarom gelijk aan het loon over de resterende contractsduur. Dat komt volgens [verzoekster] neer op € 5.029,34 bruto, hetgeen Koi Utrecht niet heeft betwist. De door [verzoekster] verzochte vergoeding is daarom toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 november 2025.
[verzoekster] heeft recht op een transitievergoeding
3.12.
[verzoekster] heeft verder verzocht om Koi Utrecht te veroordelen om een transitievergoeding van € 400 bruto te betalen. De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [3] Daarvan is in dit geval geen sprake. De kantonrechter verwijst kortheidshalve naar hetgeen hierover onder 3.8 is overwogen. De door [verzoekster] verzochte transitievergoeding zal daarom worden toegewezen. Tegen de hoogte daarvan heeft Koi Utrecht geen verweer gevoerd. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 13 december 2025. [4]
[verzoekster] heeft recht op een billijke vergoeding
3.13.
[verzoekster] heeft verzocht haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 5.000 bruto. Door het niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet is de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding in beginsel gegeven. Bij de toekenning van een billijke vergoeding moet rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval.
3.14.
In dit geval wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat Koi Utrecht ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [verzoekster] zonder dringende reden op staande voet te ontslaan. Ook wordt rekening gehouden met de gevolgen van het ontslag voor [verzoekster] . Hoewel het misgelopen loon over de periode van 13 november 2025 tot 23 december 2025 door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt gecompenseerd, was zij door het ontslag gedwongen terug te keren naar Zuid-Korea. Haar verblijfsvergunning was namelijk afhankelijk van haar werk bij Koi Utrecht.
Gelet op dit alles wordt aan [verzoekster] een billijke vergoeding toegekend van € 3.600 bruto, hetgeen overeenkomt met een maandsalaris. De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking totdat het hele bedrag is betaald.
[verzoekster] heeft recht op uitbetaling van vakantiedagen en vakantietoeslag
3.15.
[verzoekster] maakt aanspraak op een bedrag van € 2.601,37 bruto aan openstaande vakantiedagen en vakantietoeslag. Koi Utrecht heeft hier geen verweer tegen gevoerd. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 8 januari 2026 tot de voldoening. Voor zover Koi Utrecht al vakantiedagen en vakantietoeslag aan [verzoekster] heeft uitbetaald, dient deze betaling in mindering te strekken op de veroordeling. Of dit het geval is, moet blijken uit de specificatie die hoort bij de door Koi Utrecht op 24 december 2025 gedane betaling aan [verzoekster] .
[verzoekster] heeft recht op een deugdelijke eindafrekening en specificatie
3.16.
Het verzoek van [verzoekster] tot overlegging van een deugdelijke eindafrekening met specificatie wordt toegewezen. De kantonrechter acht hiervoor een termijn van 14 dagen na heden redelijk. De daaraan gekoppelde dwangsom wordt gematigd tot € 100 per dag, met een maximum van € 1.000.
Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad
3.17.
Koi Utrecht wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze kosten worden aan de kant van [verzoekster] begroot op € 1.102 (€ 93 aan griffierecht, € 865 aan salaris gemachtigde en € 144 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.18.
De kantonrechter zal deze beschikking (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad verklaren. [5]

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt Koi Utrecht om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen:
€ 5.029,34 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2025 tot de voldoening;
€ 400 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2025 tot de voldoening;
€ 3.600 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de voldoening;
€ 2.601,37 bruto aan openstaande vakantiedagen en vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2026 tot de voldoening, en te verminderen met een inmiddels door Koi Utrecht betaald bedrag aan vakantiedagen en vakantietoeslag;
4.2.
veroordeelt Koi Utrecht om binnen veertien dagen na heden aan [verzoekster] een deugdelijke eindafrekening en specificatie te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 1.000;
4.3.
veroordeelt Koi Utrecht in de proceskosten van € 1.102, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Koi Utrecht niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:678 lid 1 BW Pro en artikel 7:677 BW Pro
2.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro
3.Artikel 7:673 BW Pro
4.Artikel 7:686a lid 1 BW
5.Artikel 288 Rv Pro