Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van een factuur van €2.969,34 voor het opmaken van jaarstukken over 2021 voor het advocatenkantoor van gedaagde. Gedaagde erkent de verrichte werkzaamheden, maar betwist betaling vanwege verjaring en het ontbreken van specificatie van de factuur.
De rechtbank oordeelt dat de vordering niet is verjaard, aangezien de verjaringstermijn van vijf jaar pas in juli 2028 verstrijkt. Het feit dat gedaagde de factuur pas in september 2025 ontving, maakt dit niet anders. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt, omdat dit geen reden is om van de wettelijke verjaringsregels af te wijken.
Ten aanzien van de niet-gespecificeerde factuur overweegt de rechtbank dat eiseres al lange tijd werkzaamheden verricht zonder specificatie en dat gedaagde dit niet eerder heeft betwist of om een specificatie heeft gevraagd. De factuur is in lijn met een vooraf overeengekomen offerte. Daarom is het niet onaanvaardbaar dat betaling wordt gevorderd zonder specificatie.
Verder moet gedaagde wettelijke handelsrente betalen vanaf 19 september 2025, de dag na de termijn van acht dagen na ontvangst van de aanmaningsbrief. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten van €444,43 toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het totale bedrag van €3.413,77 plus rente en proceskosten van €1.337,28. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.