De huurder vordert een voorschot op schadevergoeding van de verhuurder omdat de woning door asbestverontreiniging onbewoonbaar werd verklaard. De huurder moest de woning verlaten, zijn inboedel achterlaten en tijdelijke duurdere woonruimte huren. De verhuurder erkent aansprakelijkheid.
De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang en dat het aannemelijk is dat de huurder recht heeft op schadevergoeding. De schade wordt begroot op minimaal €12.030, bestaande uit extra woonkosten, waardeverlies van de inboedel en kosten voor eerste levensbehoeften. Immateriële schade wordt niet toegewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van het voorschot en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 2 april 2026 gewezen door mr. I.L. Rijnbout.