De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 10 maart 2026 de zaak tegen verdachte, beschuldigd van verkrachting en subsidiair ontucht bij een minderjarige op 15 juli 2019 in Woudenberg. De zaak werd aanvankelijk gestart na een artikel-12 procedure van de ouders van het slachtoffer, die erkenning zochten na een eerdere sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie.
Tijdens de procedure bleek dat het slachtoffer inmiddels de wens had uitgesproken om de zaak te beëindigen vanwege de emotionele belasting van de zittingen. Ook de ouders steunden dit standpunt. De officier van justitie stelde dat voortzetting van de vervolging geen strafrechtelijk belang meer diende, mede gezien de lage recidiverisico-inschatting en de aanwezige hulpverlening aan verdachte.
De rechtbank erkende de ernst van de feiten, maar concludeerde dat verdere vervolging niet in het belang is van het slachtoffer, verdachte of de maatschappij. De strafdoelen vergelding en preventie zijn niet langer relevant. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, waarmee de strafzaak formeel werd beëindigd.