Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1465

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
261491
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning gevelreclame

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende omgevingsvergunning voor het aanbrengen van gevelreclame op een locatie in Utrecht. Zij betoogt dat de vergunning leidt tot een onomkeerbare aantasting van het straat- en gevelbeeld en dat het college onvoldoende aandacht heeft besteed aan de belangen van derden en de welstandstoets niet adequaat heeft uitgevoerd.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien sprake is van onverwijlde spoed om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Gelet op de omstandigheden is niet gebleken dat het belang van verzoekster zodanig spoedeisend is dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Het aanbrengen van gevelreclame gebeurt voor eigen risico en kan zonder blijvende gevolgen worden verwijderd.

Ook de overige aangevoerde bezwaren kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld. Er is geen sprake van evident onrechtmatigheid die een spoedmaatregel rechtvaardigt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter op 10 april 2026 en er staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor gevelreclame wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1491

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: M.C. Hoogeveen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M.T. Smits).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder] .(vergunninghouder), gevestigd in [vestigingsplaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het aanbrengen van gevelreclame op de locatie [adres] in [plaats] . Verzoekster is het niet eens met deze omgevingsvergunning en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij verzoekt de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning te schorsen tot na de beslissing op bezwaar.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom zij van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Dit oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is namelijk een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Het gaat in deze zaak om een verzoek dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Dit betekent dat de voorzieningenrechter alleen voor de duur van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening kan treffen. In die periode moet dus sprake zijn van een situatie waarbij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige
voorziening noodzakelijk maakt om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van het besluit ontstaan.
4. Verzoekster voert aan dat de vergunning directe plaatsing van verlichte gevelreclame mogelijk maakt, wat leidt tot een onomkeerbare aantasting van het straat- en gevelbeeld. Verder wijst zij erop dat de reclame op meerdere panden wordt aangebracht, terwijl het college kennelijk maar één locatie heeft beoordeeld. Daardoor is ook de welstandstoets niet voldoende specifiek uitgevoerd. Ook heeft het college in de besluitvorming te weinig aandacht gehad voor belangen van derden.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is waarom het belang van verzoekster zodanig spoedeisend is dat de beslissing op haar bezwaar niet afgewacht kan worden. Als vergunninghouder de gevelreclame op korte termijn aanbrengt, dan gebeurt dat voor eigen risico en voor eigen rekening, omdat de verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is. Dat na het aanbrengen van gevelreclame sprake is van een onomkeerbare aantasting van het straat- en gevelbeeld volgt de voorzieningenrechter niet. Gevelreclame kan immers vrij eenvoudig en zonder blijvende gevolgen weer worden verwijderd.
6. De overige aspecten die verzoekster aanvoert, zal het college in de bezwaarprocedure moeten beoordelen, maar maken niet dat op dit moment het treffen van spoedmaatregel nodig is. Ook als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoekster ingediende bezwaren de omgevingsvergunning herroept, kan de eventueel al aangebrachte reclame namelijk weer makkelijk worden verwijderd. In de bezwaarprocedure kan het college ook aandacht besteden aan de vraag of verzoekster daadwerkelijk als belanghebbende kan worden aangemerkt. In deze verzoekschriftenprocedure heeft de voorzieningenrechter ervoor gekozen verzoekster het voordeel van de twijfel te gunnen gezien de uitleg van verzoekster en de ingezonden machtiging plus het uittreksel van de Kamer van Koophandel.
7. De conclusie is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. De door verzoekster gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of de omgevingsvergunning in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.