Eiseres, een dochterbedrijf van een Amerikaans softwarebedrijf, verzocht de minister om ontheffing van de EU-sancties (Verordening 269/2014) om betalingen te doen aan de curator van haar failliete Russische dochteronderneming. Deze betalingen betroffen vorderingen die deels onder de sancties vielen. De minister wees het verzoek af omdat de betalingen niet noodzakelijk waren voor buitengewone lasten zoals bedoeld in de verordening.
De rechtbank oordeelde dat de minister het verzoek tot ontheffing terecht heeft afgewezen, maar stelde vast dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat de gevolgen voor niet-gesanctioneerde voormalige werknemers onvoldoende waren betrokken. De minister heeft dit motiveringsgebrek in het verweerschrift en tijdens de zitting hersteld, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven.
De rechtbank ging uitgebreid in op de uitleg van het begrip 'buitengewone lasten' in de sanctieverordening en concludeerde dat deze restrictief moet worden uitgelegd, mede om het nuttig effect van de sanctieregeling te waarborgen. De Russische invasie werd als verdisconteerd beschouwd in de sanctiemaatregelen, waardoor deze geen factor is bij de beoordeling van de voorzienbaarheid van de kosten.
Eiseres voerde aan dat de onvoorzienbaarheid van de Russische misbruik van insolventierecht in aanmerking moest worden genomen, maar de rechtbank volgde de minister dat dit een door gesanctioneerde personen zelf gecreëerde situatie is en dat afwijkingen van de sanctieregeling beperkt moeten blijven. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de minister gebonden is aan de Unierechtelijke bevoegdheid.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens het motiveringsgebrek, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege de herstelde motivering. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.