Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1464

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/8202
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening 269/2014Art. 3 Verordening 269/2014Art. 4 lid 1 aanhef en onder d Verordening 269/2014Art. 11 Verordening 269/2014Art. 28 Verordening (EU) 267/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering ontheffing betalingen onder EU-sancties tegen Rusland bevestigd

Eiseres, een dochterbedrijf van een Amerikaans softwarebedrijf, verzocht de minister om ontheffing van de EU-sancties (Verordening 269/2014) om betalingen te doen aan de curator van haar failliete Russische dochteronderneming. Deze betalingen betroffen vorderingen die deels onder de sancties vielen. De minister wees het verzoek af omdat de betalingen niet noodzakelijk waren voor buitengewone lasten zoals bedoeld in de verordening.

De rechtbank oordeelde dat de minister het verzoek tot ontheffing terecht heeft afgewezen, maar stelde vast dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat de gevolgen voor niet-gesanctioneerde voormalige werknemers onvoldoende waren betrokken. De minister heeft dit motiveringsgebrek in het verweerschrift en tijdens de zitting hersteld, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven.

De rechtbank ging uitgebreid in op de uitleg van het begrip 'buitengewone lasten' in de sanctieverordening en concludeerde dat deze restrictief moet worden uitgelegd, mede om het nuttig effect van de sanctieregeling te waarborgen. De Russische invasie werd als verdisconteerd beschouwd in de sanctiemaatregelen, waardoor deze geen factor is bij de beoordeling van de voorzienbaarheid van de kosten.

Eiseres voerde aan dat de onvoorzienbaarheid van de Russische misbruik van insolventierecht in aanmerking moest worden genomen, maar de rechtbank volgde de minister dat dit een door gesanctioneerde personen zelf gecreëerde situatie is en dat afwijkingen van de sanctieregeling beperkt moeten blijven. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat de minister gebonden is aan de Unierechtelijke bevoegdheid.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens het motiveringsgebrek, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege de herstelde motivering. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8202

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. Y. Amar en mr. D. Posthuma),
en

de minister van Financiën

(gemachtigden: M.A.C. Smith-Molenaar, LLM, en mr. L.A. de Jager).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres betalingen mag doen aan de curator van haar failliete Russische dochteronderneming. Deze betalingen vallen in ieder geval deels onder EU-sancties tegen Rusland. Eiseres heeft op 18 april 2024 de minister verzocht om een ontheffing van de Verordening 269/2014 van de Raad [1] over de sanctieregeling Oekraïne, zodat de betalingen kunnen worden gedaan.
1.1.
De minister heeft het verzoek tot ontheffing met het besluit van 18 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij die afwijzing gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiseres heeft op 20 oktober 2025 aanvullende informatie verstrekt.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [A] en [B] , de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de gevraagde ontheffing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het verzoek om ontheffing van de sanctieregeling heeft mogen afwijzen. Het beroep is wel gegrond, want eiseres voert terecht aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Omdat de minister in het verweerschrift en op de zitting de afwijzing alsnog deugdelijk heeft onderbouwd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanleiding voor het verzoek
3. Eiseres is een dochterbedrijf van het Amerikaanse softwarebedrijf [bedrijf 1] . Zij bezat 99,9 % van de aandelen van de Russische dochteronderneming [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ), dat producten en software leverde aan ongeveer 250 klanten in Rusland. [bedrijf 2] heeft voorafgaand aan de Russische invasie in Oekraïne contracten gesloten met Russische zakenpartners en eindgebruikers van haar ondersteunende diensten. Op 2 maart 2022, na de Russische invasie in Oekraïne, heeft eiseres besloten om haar activiteiten in Rusland per direct te beëindigen. Dit heeft geleid tot vorderingen tot terugbetaling en schadevergoeding van haar voormalige Russische zakenpartners (schuldeisers). Eiseres kon deze vorderingen grotendeels niet voldoen, omdat de meeste schuldeisers (direct of indirect) vallen onder de sanctiemaatregelen van de Europese Unie en de Verenigde Staten. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een faillissement van [bedrijf 2] , dat op 7 augustus 2023 door de Russische rechtbank is uitgesproken.
3.1.
Eiseres stelt dat de Russische curator vervolgens in de insolventieprocedure de voormalige werknemers van [bedrijf 2] civielrechtelijk aansprakelijk heeft gesteld, om de vorderingen tegen [bedrijf 2] te verhalen op hun privévermogen. Volgens de brief van 20 oktober 2025 van eiseres en haar toelichting op de zitting, heeft de Russische curator inmiddels tegen 53 voormalige werknemers van [bedrijf 2] vorderingen ingesteld tot terugbetaling van eerder ontvangen ontslagvergoedingen en verkoopcommissies. Eén terugvordering van een verkregen ontslagvergoeding is volgens eiseres al ten uitvoer gelegd. De overige vorderingen zijn nog aanhangig bij de rechter. Daarnaast heeft de Russische curator aansprakelijkheidsvorderingen ingesteld tegen de voormalige bestuurder van [bedrijf 2] en haar voorgangster, die beiden de Russische nationaliteit hebben en in Ierland wonen. Verder zijn vorderingen ingediend tegen een andere onderneming van de [bedrijf 3] [2] aan wie [bedrijf 2] betalingen heeft gedaan, tegen de aandeelhouders van [bedrijf 2] en tegen leveranciers en dienstverleners van [bedrijf 2] . Eiseres heeft verzocht om ontheffing van de sanctieregeling, zodat zij betalingen kan doen aan de curator van [bedrijf 2] in verband met een eventuele schikking of de volledige afwikkeling van het faillissement. Eiseres wil op die manier de voormalige werknemers van [bedrijf 2] en hun families vrijwaren van civielrechtelijke aansprakelijkheden en alle andere gevolgen van het faillissement.
3.2.
Bij de behandeling van het beroep op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij nog steeds bezig is om met de schuldeisers in het faillissement een schikking te treffen. De totale waarde van de vorderingen die betaald zouden moeten worden aan of via gesanctioneerde partijen, waarvoor eiseres de ontheffing vraagt, bedraagt inclusief rente 3 miljoen euro.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres om ontheffing voor de gesanctioneerde betalingen afgewezen, omdat deze niet noodzakelijk zijn voor betalingen van buitengewone lasten [3] . De beoogde betalingen strekken tot betaling aan partijen van vorderingen gebaseerd op het niet nakomen van contractuele verplichtingen van [bedrijf 2] . Deze betalingen zijn volgens de minister niet onverwachts en onvoorzien in het licht van de omstandigheden. De minister verwijst voor deze uitleg van het criterium ‘buitengewone lasten’ naar de Opinie van 4 juli 2019 van de Europese Commissie (hierna: de Opinie). [4]
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt deel uit van de uitspraak.
Standpunt van eiseres
6. Eiseres voert aan dat de betalingen die voortvloeien uit de insolventie van [bedrijf 2] zijn aan te merken als buitengewone lasten, die vallen onder de uitzonderingscategorie vermeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 269/2014. De uitleg door de minister van deze uitzonderingscategorie is volgens eiseres te beperkt en vindt geen grondslag in de wet of rechtspraak. Ten onrechte is zonder meer aangesloten bij de Opinie en is op basis daarvan als vereiste gesteld dat het gaat om onvoorziene, onverwachte en onvermijdelijke kosten. Volgens eiseres lijkt de bepaling meer beoogd te zijn als restcategorie, voor lasten die niet onder de andere uitzonderingen van artikel 4 vallen Pro, maar die het wel verdienen om te worden vergoed. Voorkomen moet worden dat de economische sancties tegen Rusland nadelige effecten hebben op onschuldige derden. Ook wijst eiseres erop dat het toestaan van de betalingen slechts een verwaarloosbaar financieel voordeel voor gesanctioneerde crediteuren oplevert.
6.1.
Verder stelt eiseres dat ook als de criteria in de Opinie wel leidend zouden zijn, voldaan is aan het begrip buitengewone lasten. De minister heeft hierbij geen rekening gehouden met alle omstandigheden. Eiseres vindt dat de onvoorzienbaarheid van de Russische invasie betrokken moet worden en in samenhang moet worden bezien met de onvoorzienbaarheid van de onrechtmatige vorderingen op grond van het insolventierecht. Voor eiseres was redelijkerwijs niet te voorzien dat het Russische regime als reactie op de Westerse sancties het insolventierecht zou misbruiken door haar werknemers bloot te stellen aan civielrechtelijke aansprakelijkheid en allerlei andere gevolgen. Anderzijds ziet eiseres het als haar morele en juridische plicht om haar medewerkers te beschermen. Rusland ziet Westerse bedrijven in haar land als een verlengstuk van de overheid en behandelt het faillissement van [bedrijf 2] als gevolg van de EU-sancties als opzettelijk. Eiseres ziet het als haar morele en juridische plicht om haar medewerkers te beschermen.
Beoordeling door de rechtbank
Hoe moet het begrip ‘buitengewone lasten’ worden uitgelegd?
7. Verordening 269/2014 is tot stand gekomen in reactie op de schending van de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit door de Russische Federatie. Zoals blijkt uit punt 4 van de considerans strekt Verordening 269/2014 mede tot bevriezing van de tegoeden en economische middelen van bepaalde personen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, alsmede van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die daarbij betrokken zijn. Met deze beperkende maatregelen wordt beoogd druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten, zodat een einde komt aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren.
7.1
Niet in geschil is dat betalingen aan de Russische curator ten behoeve van de werknemers en de schuldeisers van [bedrijf 2] , in ieder geval deels zijn gesanctioneerd op grond van artikel 2 in Pro samenhang met artikel 3 van Pro Verordening 269/2014 en de bijbehorende EU sanctielijst. Eiseres heeft de minister verzocht om die gesanctioneerde betalingen te mogen doen, omdat ze noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten als bedoeld in de uitzonderingscategorie in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening 269/2014. Het is niet in geschil dat de andere uitzonderingen op artikel 2 die Pro zijn vermeld in de verordening niet van toepassing zijn.
7.2
Het begrip ‘buitengewone lasten’ in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 269/2014 is in dat artikel noch in een andere bepaling van deze verordening nader gedefinieerd. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie moeten de betekenis en de draagwijdte van dit begrip dan worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, waarbij rekening moet worden gehouden met de context waarin dat begrip wordt gebezigd en met de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt. [5]
7.3
De minister heeft zich, onder verwijzing naar de Opinie, in het verweerschrift en op de zitting, op het standpunt gesteld dat het begrip ‘buitengewone lasten’ van artikel 4, eerste lid, onder d, van Verordening 269/2014 moet worden bezien in samenhang met de andere specifieke uitzonderingen van artikel 4, eerste lid. De ontheffingsgrondslag van sub d is bedoeld voor het dekken van kosten van de gesanctioneerde personen in uitzonderlijke gevallen, waar de andere specifieke ontheffingsgrondslagen niet van toepassing zijn. Op de zitting heeft de minister gesteld dat alle ontheffingsgronden van artikel 4, eerste lid, alleen zien op gesanctioneerde personen. De (voormalige) werknemers en bestuurders van [bedrijf 2] staan zelf niet op de EU-sanctielijst en zijn daarmee niet zelfstandig gesanctioneerd, zodat artikel 4, eerste lid, sub d niet op hen van toepassing is. Het moet gaan om kosten die ‘onvoorzien zijn in het licht van de uitzonderlijke omstandigheden’. De Russische inval in Oekraïne is niet van belang voor de beoordeling van de voorzienbaarheid, aangezien deze omstandigheid volgens de minister al is verdisconteerd in de ontheffingsgronden van artikel 4 van Pro de Verordening.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de minister stelt, de uitzondering van artikel 4, eerste lid, onder d van de Verordening ook van toepassing kan zijn op de buitengewone lasten van een op zichzelf niet gesanctioneerde persoon van wie middelen worden bevroren omdat zij via een gesanctioneerde tussenpersoon gaan. In de aanhef en de uitzondering onder d zelf staat namelijk niet vermeld dat die alleen van toepassing is op gesanctioneerde personen. Het is wel vermeld bij de uitzondering onder a, maar de voorwaarden voor de uitzondering onder a kunnen niet op de uitzondering onder d geplakt worden. Dat er ruimte is om in situaties waarbij iemand niet direct maar indirect door de sancties getroffen wordt, gebruik te maken van een dergelijke uitzondering is ook in lijn met de Opinie, die de minister zelf als kader gebruikt.
7.5
De rechtbank is het echter voor het overige eens met de hiervoor onder 7.3 weergegeven uitleg van de minister van het begrip ‘buitengewone lasten’ van artikel 4 van Pro Verordening 269/2014. Die uitleg van de minister past bij het normale spraakgebruik van het begrip en die uitleg is ook niet onredelijk. De rechtbank is van oordeel dat met deze uitleg van het begrip ‘buitengewone lasten’ ook voldoende rekening wordt gehouden met de context ervan en met de doelstellingen van de sanctieregeling. Het verbod in artikel 2 van Pro de Verordening 269/2014 is een restrictieve maatregel en als uitgangspunt geldt dat restrictieve maatregelen op een zodanige wijze moeten worden opgelegd dat zij het grootst mogelijke effect hebben op degene wiens gedrag dient te worden beïnvloed. [6] Hieruit volgt dat het niet voor de hand ligt dat (begrippen in) uitzonderingsbepalingen ruim worden uitgelegd. Een dergelijke restrictieve benadering van deze uitzonderingscategorie volgt ook uit de Opinie, die, hoewel niet juridisch bindend, een gezaghebbende bron is voor de uitleg van de sanctieregels in Verordening 269/2014. De rechtbank vindt dat de minister deze uitleg daarom tot uitgangspunt heeft mogen nemen.
7.6
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat de invasie door Rusland op zichzelf geen factor is bij de beoordeling van de (on)voorzienbaarheid van de kosten, aangezien de sanctiemaatregelen zijn getroffen naar aanleiding van de inval, zodat deze omstandigheid geacht moet worden verdisconteerd te zijn in die maatregelen. Dat brengt mee dat het begrip ‘buitengewone lasten’ moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van die omstandigheden.
Toepassing in dit concrete geval
8. De minister is in het bestreden besluit uitsluitend ingegaan op de voorzienbaarheid van de vorderingen en heeft reeds op basis daarvan geconcludeerd dat de ontheffingsgrond niet van toepassing is. De rechtbank is echter, mede gelet op de Opinie, van oordeel dat bij de beoordeling of de beschikbaarstelling van tegoeden noodzakelijk is voor de betaling van buitengewone lasten, alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken, waaronder de gevolgen voor niet-gesanctioneerde personen bij het weigeren van de ontheffing. De gevolgen voor de voormalige werknemers hadden daarom in de motivering van het bestreden besluit een plaats moeten krijgen, zeker omdat eiseres juist die gevolgen voor de voormalige werknemers noemt als aanleiding voor het verzoek om ontheffing. Voor de stelling in het verweerschrift dat uit de passage over de voorzienbaarheid van de vorderingen voldoende blijkt dat ook de situatie van de voormalige werknemers van [bedrijf 2] is betrokken, ziet de rechtbank geen grond. Door hier in het bestreden besluit onvoldoende op in te gaan, is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is daarom gegrond. In het verweerschrift en op de zitting is de minister nader op de situatie van (de families van) de directeuren en de voormalige werknemers van [bedrijf 2] ingegaan. De rechtbank is van oordeel dat met die aanvullende motivering alsnog voldoende deugdelijk is gemotiveerd dat de ontheffingsgrond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 269/2014 niet van toepassing is. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
8.1
Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, is de invasie door Rusland verdisconteerd in de ontheffingsgronden, zodat deze omstandigheid niet relevant is voor de toepasbaarheid ervan. Verder heeft de minister mogen betrekken dat het gaat om betalingen ter nakoming van contractuele verplichtingen, waarvan niet kan worden gesteld dat deze onvoorzienbaar waren. Ook heeft de minister mogen verwijzen naar artikel 11 van Pro Verordening 269/2014. Dat artikel schrijft juist voor dat vorderingen van gesanctioneerde partijen die gebruikelijk zijn in het handelsverkeer niet worden toegewezen, zodat de ontheffingsgronden van artikel 4 van Pro de Verordening 269/2014 niet kunnen zijn bedoeld voor betaling van dergelijke vorderingen. Verder is de hoogte van de betaling waarvoor ontheffing wordt gevraagd niet relevant, nu het gaat om de (buitengewone) aard en karakter van de last.
8.2
Wat betreft de situatie van de werknemers en in hoeverre te voorzien was dat de Russische autoriteiten het insolventierecht zouden misbruiken als tegenmaatregel tegen de Westerse sanctiemaatregelen, heeft de minister niet betwist dat dit misbruik voor de betrokken voormalige medewerkers van [bedrijf 2] (zeer) nadelige gevolgen kan hebben. De minister wijst er echter terecht op dat onrechtmatige toepassing van het insolventierecht een door gesanctioneerde personen zelf gecreëerde omstandigheid is. Dat gesanctioneerde personen op deze manier zouden kunnen bewerkstelligen dat de hier aan de orde zijnde uitzonderingscategorie van toepassing is, rijmt niet met het uitgangspunt dat afwijkingen van bepalingen over de bevriezing van tegoeden beperkt moeten worden toegepast. Dit zou ook het nuttig effect van de sanctieregeling tenietdoen. De rechtbank is dit met de minister eens. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres zich verantwoordelijk voelt voor de gevolgen van het faillissement voor haar voormalige werknemers en bestuurders en hun gezinnen, maken deze belangen, mede gelet op wat hiervoor onder 8.1 is overwogen, in dit geval niet dat sprake is van een buitengewone last als bedoeld in deze uitzonderingscategorie.
Conclusie
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de ontheffingsgrond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 269/2014 terecht niet van toepassing heeft geacht en dit uiteindelijk in beroep ook voldoende heeft gemotiveerd.
Evenredigheid
10. Eiseres heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt echter vast dat in dit geval sprake is van een Unierechtelijk gebonden bevoegdheid van de minister. In de Verordening 269/2014 wordt namelijk dwingend voorgeschreven dat het in artikel 2 neergelegde Pro verbod geldt, tenzij sprake is van één van de in de verordening opgenomen limitatieve ontheffingsgronden. Uit het voorgaande volgt dat niet wordt voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, en gesteld noch gebleken is dat een andere ontheffingsgrond van toepassing is. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd en ook in de rechtspraak geen aanknopingspunten dat in dat geval het nationaal- of Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel deze gedwongen bevoegdheid kan doorbreken. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is, gelet op wat hiervoor onder 8 is overwogen, gegrond. Het besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Omdat de minister in het verweerschrift en op de zitting het motiveringsgebrek heeft hersteld, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-. Ook bepaalt de rechtbank dat de minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzitter, en mr. M. van der Knijff en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 (versie 14 september 2024):
Artikel 2
1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren.
2. Er worden geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
Artikel 3
In Bijlage I omvat een Lijst van in artikel 2 bedoelde Pro
a. a) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen, natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor, steun verlenen aan of uitvoering geven aan, acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne of de stabiliteit of veiligheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, of die de werkzaamheden van internationale organisaties in Oekraïne belemmeren;
b) rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materieel of financieel bijdragen aan acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen;
c) (…)
i. i) rechtspersonen, entiteiten of lichamen die actief zijn in de Russische IT-sector met een vergunning die wordt beheerd door het centrum voor vergunningen, certificering en de bescherming van staatsgeheimen van de federale veiligheidsdienst van de Russische Federatie (
Federal Security Service- FSB), of een vergunning voor „wapens en militaire uitrusting” afgegeven door het Russische ministerie van Industrie en Handel; of
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 2 kunnen Pro de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, indien zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:
noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage I genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;
uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor alleen het aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen; of
noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de relevante bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden verleend; of
gestort zullen worden op of betaald zullen worden van een rekening die toebehoort aan of wordt aangehouden door een diplomatieke missie, consulaire post of internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationale recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke missie, consulaire post of internationale organisatie.
Artikel 11:
1. Vorderingen in verband met contracten of transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, in het bijzonder een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:
a) in bijlage I opgenomen natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen;
b) natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die handelen voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) bedoelde personen, entiteiten of lichamen.
1. In de procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, wordt het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eisende natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of het eisende lichaam geleverd.
3. Dit artikel geldt onverminderd het recht van de in lid 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van contractuele verplichtingen in overeenstemming met onderhavige verordening.
Opinie van Europese Commissie van 4 juli 2019:
(1) Freezing of funds of a non-designated person transferred into a Member State from a designated bank
Article 23(2) of Council Regulation (EU) 267/2012 provides that “all funds and economic resources belonging to, owned,
heldor controlled by the persons, entities and bodies listed in Annex IX shall be frozen” (emphasis added).
Based on the information of the NCA, the Commission understands that the sender of the funds is not designated, hence the only designated person intervening in the described transaction is the intermediary bank. Funds of a non-designated person that are deposited in or even just transferred to a bank can be considered to be “held”, albeit temporarily, by the bank in question. Article 23(2) does not require a minimum duration of the possession of the funds by the entity designated under Annex IX to Council Regulation (EU) 267/2012 to trigger the obligation to freeze them. Hence, any funds held by the persons, entities and bodies listed in Annex IX of Regulation (EU) No 267/2012 shall be frozen by operators falling under the scope of application of the Regulation pursuant to its Article 49. This includes funds that are temporarily held by and transferred through the accounts of a designated bank. This interpretation is also in line with the broad definition in Article 1(k) of Council Regulation (EU) 267/2012, according to which “'freezing of funds' means preventing any move, transfer, alteration, use of, access to, or dealing with funds in any way that would result in any change in their volume, amount, location, ownership, possession, character, destination (…)”. In the Commission’s view, the opposite interpretation, whereby only the funds that have been held by a designated bank for a significant timeframe should be frozen, finds no support in the text of Council Regulation (EU) No 267/2012. Moreover, an interpretation requiring an arbitrary minimum duration for the possession would undermine the effectiveness of Article 23(2), which would be easily circumvented by artificial transfers of the funds before entering in the possession of a person referred to in Article 49 of the Regulation.
(2) The derogation under Article 28 extends to expenditures of the non designated owner of the funds
Article 28 of Council Regulation (EU) 267/2012 provides that competent authorities may authorise the release of certain frozen funds, after having determined that the funds or economic resources concerned are necessary for extraordinary expenses.
Article 28 does not specify whether the derogation covers extraordinary expenses needed for the benefit of the designated person or of someone else. The Commission considers that in an atypical situation such as the one presented by the NCA, whereby the funds legally owned by a non-designated person are frozen as a consequence of their transit through a designated bank, the legitimate owner should be in a position to access such funds through the derogation in
Article 28, provided that three cumulative conditions are met:
( a) The expense can be qualified as “extraordinary”.
Derogations from the asset freeze provisions should apply narrowly in order not to deprive the Regulation of its effet utile. In this vein, the applicant for a license under Article 28 must demonstrate specifically that the expenditure for which the release of the funds is sought qualifies as “extraordinary”.
In the Commission’s view, the notion of “extraordinary expense” requires the latter to be unexpected, unforeseen, and unavoidable in the light of their purposes. This interpretation fits in the overall system of derogations established in Regulation (EU) 267/2012 (and in practically all Council Regulations establishing asset freezes). The legislator has laid down derogations for the most common expenses or disbursements a designated person can be expected to face, such as payments for foodstuffs, rent, mortgage, medicines, taxes, professional fees, prior contractual obligations, judicial decisions, etc. The “extraordinary expenses” necessarily have to be a separate category of payments that a designated person could not reasonably expect having to face, but that would be unavoidable, in the light of the exceptional circumstances (such as repairs to a building due to natural disasters, etc.).
From this perspective, the acquisition of a house does not appear to qualify in itself as extraordinary expenditure. However, the specific circumstances of the application may suggest otherwise, and it is for the NCA to assess all the elements provided by the applicant to show why this would be the case.
(…).

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.
2.Oracle EMEA Ltd.
3.Als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder d, van de Sanctieverordening.
4.Onder artikel 28 van Pro de Verordening van de Raad (EU) 267/2012, betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010.
5.Zie het arrest van 12 juni 2018 (Louboutin), C163/16, EU:C:2018:423, punt 20 en het arrest van 30 april 2024 (Trade Express-L e.a.), C395/22 en C428/22, ECLI:EU:C:2024:374, punt 65.
6.Raad van de Europese Unie, Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties) 7 juni 2004, 10198/1/04 REV 1, onder 6