Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1461

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
UTR_24_3664
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep omgevingsvergunning dakterras

Verzoekster had beroep ingesteld tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakterras door het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Na een gewijzigde beslissing op bezwaar van het college, waarin de vergunning alsnog werd verleend, trok verzoekster het beroep in en verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld zonder partijen te horen, omdat zij voldoende informatie had. Hoewel het college aan het beroep tegemoet is gekomen, oordeelde de rechtbank dat er geen proceshandelingen zijn verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde van verzoekster is pas na de indiening van het beroep en de zitting in beeld gekomen en heeft sindsdien geen vergoedbare proceshandelingen verricht.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af als kennelijk ongegrond. Wel wees de rechtbank erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van €187,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich tot het college moet wenden.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen vergoedbare proceshandelingen zijn verricht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3664

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.C.H. van de Ven),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, het college
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2](gemachtigde: mr. K.A. Luehof) en
[derde belanghebbende 3](gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten.
1.1.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 6 mei 2024. Met het besluit van 8 januari 2026 heeft het college een gewijzigde beslissing op bezwaar afgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten.
1.2.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van proceskosten omdat er geen sprake is van proceshandelingen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen.

Overwegingen

2. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. [1]
3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] Het college heeft in een beslissing op bezwaar van 6 mei 2024 een eerder aan verzoekster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakterras geweigerd. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. Op 8 januari 2026 heeft het college de omgevingsvergunning in een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog in stand gelaten. [3] Dit besluit vervangt het besluit van 6 mei 2024. [4] Met dit nieuwe besluit is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
5. Het college is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat er geen sprake is van proceshandelingen die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde van verzoekster is op 6 november 2025 in deze zaak in beeld gekomen. Dat is na de indiening van het beroep op 10 mei 2024 en de zitting op 6 maart 2025. Zij heeft sindsdien geen proceshandelingen verricht die op grond van het Bpb in aanmerking komen voor vergoeding. Gelet hierop, wijst de rechtbank het verzoek als kennelijk ongegrond af.
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. [5] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
4.Met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.