Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. Nadat verweerder in gebreke was gesteld, stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks dat het aanvankelijk te vroeg was ingediend, omdat de termijn inmiddels is verstreken en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken en sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken hanteert. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk 28 juli 2026 een besluit moet nemen.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot het betalen van een dwangsom van € 100,- per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van € 467,- en wordt het betaalde griffierecht van € 53,- aan haar vergoed. De rechtbank wijst erop dat zij geen bevoegdheid heeft om verweerder te verplichten het dossier te verstrekken, omdat dit een feitelijke handeling betreft.