Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1410

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/3773
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit waardering onroerende zakenArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Object ten onrechte als woning aangemerkt; heffingsambtenaar moet nieuwe uitspraak op bezwaar nemen

In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of het object aan een adres in een plaats terecht als woning is aangemerkt voor de WOZ-waardering en belastingheffing. De heffingsambtenaar had de waarde van het object vastgesteld en aanslagen opgelegd, maar eiser betwistte het woninggebruik en de WOZ-waarde.

Eiser stelde dat het object uitsluitend als atelier gebruikt mag worden en verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank waarin werd vastgesteld dat het gebruik als woning in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank bevestigt dat de heffingsambtenaar het object ten onrechte als woning heeft aangemerkt.

De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is verklaard, moet de heffingsambtenaar het griffierecht en een deel van de proceskosten aan eiser vergoeden. De reiskosten van eiser worden vastgesteld op €16,58, maar overige kosten zoals hotelovernachting worden niet vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter V.E.H.G. Visser en griffier M.A. Barmentlo op 2 april 2026. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de heffingsambtenaar moet een nieuwe uitspraak op bezwaar nemen waarbij het object niet als woning wordt aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3773

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. W.G. Vos).

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (het object) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 588.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van het object ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van
12 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de WOZ-waarde van het object verlaagd naar € 580.000,-.
1.3
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
1.4
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2026. Eiser, vergezeld door
[A] , de gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

2. In geschil is of de heffingsambtenaar het object terecht als woning heeft aangemerkt. Ook de WOZ-waarde van het object is in geschil.
3. Eiser voert aan dat het object aan de [adres] slechts als atelier gebruikt mag worden. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het object niet als woning gebruikt mag worden verwijst eiser naar de uitspraken van deze rechtbank van 15 januari 2021 en
26 april 2021. [1] In de tussenuitspraak van 15 januari 2021 stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat het gebruik van het atelier als woning in strijd is met het bestemmingsplan. De conclusie in deze uitspraken is dan ook dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan eiser een last onder dwangsom mocht opleggen voor wat betreft het gebruik van het atelier als woning.
4. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar het object derhalve ten onrechte als woning heeft aangemerkt. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de heffingsambtenaar een nieuwe uitspraak op bezwaar zal moeten nemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Mede omdat ook de WOZ-waarde van het object in geschil is ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf te voorzien in de zaak. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden uitspraak op bezwaar en draagt de heffingsambtenaar op om een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De door eiser verzochte reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Deze reiskosten stelt de rechtbank vast op € 16,58 (de afstand van het adres van eiser in [plaats] tot het adres van de rechtbank aan de Vrouwe Justitiaplein 1 in Utrecht à 29,6 kilometer voor een enkele reis, maal € 0,28 per kilometer). [2] Eiser komt niet voor meer proceskostenvergoeding in aanmerking omdat hij niet is bijgestaan door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Ook de hotelovernachting komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 16,58;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tussenuitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 januari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3179 en de einduitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6796.
2.Op grond van artikel 1, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), artikel 2, onder d, van het Bpb in samenhang gelezen met artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.