Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1400

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/5842
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:7 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Midden-Nederland verklaart beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar en legt dwangsom op

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen een besluit van de Dienst Toeslagen over aanvullende compensatie. De rechtbank Midden-Nederland is bevoegd om over dit beroep te oordelen en constateert dat de beslistermijn is overschreden.

Na ingebrekestelling van verweerder op 19 september 2025 en het verstrijken van de wettelijke termijn, heeft eiseres op 7 oktober 2025 het beroep ingediend. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op om binnen een nader bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen.

De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.

De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en griffier A.L.K. Dagmar op 3 februari 2026. Partijen kunnen binnen zes weken in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en legt een dwangsom op voor elke dag overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5842

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 4 februari 2025 tegen de beslissing van verweerder van 20 januari 2025 over aanvullende compensatie.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. [1] Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Rotterdam, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen. [2]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [3] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [4]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 19 september 2025, ontvangen door verweerder op 23 september 2025, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 7 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
4. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
5. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [5] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [6]
6. In haar uitspraak van 25 juli 2025 [7] heeft de rechtbank bepaald dat in zaken zoals deze een nadere beslistermijn wordt bepaald van 72 weken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn. Als deze termijn al is verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, bepaalt de rechtbank in beginsel een nadere beslistermijn van twee weken vanaf verzending van de uitspraak op het beroep. Voor de motivering van deze termijnen verwijst de rechtbank naar die uitspraak.
7. In dit geval betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 20 januari 2025 de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding genomen. Het bezwaarschrift van eiseres tegen dit besluit is door verweerder ontvangen op 4 februari 2025. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 4 maart 2025 en verliep op 7 juli 2025. De uiterlijke datum waarop verweerder een besluit op bezwaar bekend moet maken is dus 23 november 2026.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat verweerder de hiervoor bepaalde termijnen niet haalt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 [8] over beroepen niet tijdig beslissen op bezwaar in Wht-zaken.
Proceskosten en griffierecht
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 23 november 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
4.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
5.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
6.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.