Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ZITTING
- [verdachte] ;
- de officier van justitie: mr. M. Kamper;
- de advocaat van [verdachte] : mr. C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam (hierna: de advocaat);
- de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag;
- de deskundige [A] , medewerker SAVE jeugdreclassering.
2.TENLASTELEGGING
3.BEWIJS
4.KWALIFICATIE EN STRAFBAARHEID
5.STRAF
first offenderen is hij niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen. Ook heeft de advocaat erop gewezen dat [verdachte] bij oplegging van een straf of maatregel geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) zal kunnen krijgen om in de zorg te werken, wat hij graag wil. Meer subsidiair verzoekt de advocaat om bij de oplegging van een straf met deze omstandigheden rekening te houden en aan [verdachte] een werkstraf op te leggen.
- het strafblad van [verdachte] van 12 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 26 februari 2026, opgesteld door [B] ;
- een rapportage van SAVE Jeugdreclassering van 3 maart 2026 (evaluatie), opgesteld door [A] , en de gegeven toelichting daarop ter terechtzitting van 24 maart 2026.
6.VORDERING BENADEELDE PARTIJ
7.TOEGEPASTE WETSARTIKELEN
- artikelen 46, 47, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
8.DE BESLISSING
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 (veertig) uren;
een gedeelte van 20 (twintig) uren,
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
proces-verbaal van bevindingenvan 20 mei 2024 is – zakelijk weergegeven – het volgende beschreven:
Een deskundigenrapport van het NFI: “Brandtechnisch onderzoek naar aanleiding van een incident met een molotovcocktail in Lelystad op 20 mei 2024” van 30 september 2025 opgesteld door dr. L.P. van Gelderen, NFI-deskundige brand en technisch onderzoek, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
9.Conclusie
De “molotovcocktail, zoals deze is aangetroffen in dit onderzoek” betrof een glazen fles met een vloeistof en een gele doek die als lont kon functioneren. Het merendeel van de vloeistof was 4-takt benzine. De glazen fles bevatte daarmee alle benodigde onderdelen om een functionele molotovcocktail te vormen.
op de zittingvan 24 maart 2026 verklaard: