Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1362

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/16/599051 / FT RK 25/862
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangakkoord wegens redelijke weigering schuldeisers

Mevrouw verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het vaststellen van een dwangakkoord op grond van artikel 287a Fw, gelijktijdig met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zij heeft 33 schuldeisers met een totale vordering van €31.940,17. Aan de concurrente schuldeisers is een voorstel gedaan van 11,71% van de vordering.

Het akkoord werd door alle schuldeisers behalve twee, schuldeiser 1 en schuldeiser 2, aanvaard. Schuldeiser 1, met een kleine vordering van €120, was niet op de zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Schuldeiser 2, met een vordering van €4.499,35, heeft het aanbod geweigerd en toegelicht dat de vordering niet te goeder trouw is ontstaan omdat verzoekster al bij het aangaan van het leasecontract met schuldeiser 2 een WIA-uitkering had en wist dat zij niet aan de betalingsverplichtingen kon voldoen.

De rechtbank oordeelt dat het aanbod voldoet aan de eisen voor een dwangakkoord, maar dat schuldeiser 2 met een aanmerkelijk belang in redelijkheid het aanbod heeft kunnen weigeren. De omstandigheden, waaronder het niet nakomen van betalingsverplichtingen sinds 2019 en het ontstaan van nieuwe schulden ondanks beschermingsbewind, wegen mee in dit oordeel. Ook schuldeiser 1 kon in redelijkheid weigeren.

Daarom wordt het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen. Verzoekster handhaaft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, waarover bij afzonderlijk vonnis wordt beslist.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen omdat schuldeisers in redelijkheid hun instemming mochten weigeren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: C/16/599051 / FT RK 25/862
uitspraakdatum: 6 maart 2026
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord) van
in de zaak van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
tegen
[schuldeiser 1],
gevestigd te [adres 2] , [postcode 2] [vestigingsplaats 1] ,
en
[schuldeiser 2] ,
gevestigd te [adres 3] , [postcode 3] [vestigingsplaats 2] .
Waar de zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend tot het toewijzen van een dwangakkoord.
De rechtbank wijst dit verzoek af en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

1.De procedure

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw.
1.2.
Mevrouw [verzoekster] , de schuldhulpverleenster, beschermingsbewindvoerder, [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] zijn opgeroepen voor de zitting van 2 maart 2026.
1.3.
Op de zitting zijn verschenen:
- Mevrouw [verzoekster] ;
- Mevrouw [schuldhulpverleenster] , schuldhulpverleenster;
- Meneer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder;
- Mevrouw [A] , namens [schuldeiser 2] .
Ondanks behoorlijk opgeroepen is [schuldeiser 1] niet op zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
Mevrouw [verzoekster] is alleenstaand. Zij heeft vier kinderen waarvan twee kinderen nog thuis wonen. Mevrouw [verzoekster] ontvangt een WIA-uitkering. Mevrouw [verzoekster] heeft 33 schuldeisers die in totaal € 31.940,17 van haar te vorderen hebben.
2.2.
Mevrouw [verzoekster] heeft op 22 april 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Er is namens haar 11,71% (prognose) aangeboden aan de concurrente schuldeisers.
2.3.
De onder 2.2 bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] aanvaard.

3.Het verweer

3.1.
[schuldeiser 1] heeft een (geschatte) vordering van € 120,-. Dit was ten tijde van het aanbod 0,4% van de totale schuldenlast. [schuldeiser 1] is niet akkoord gegaan met het aanbod. [schuldeiser 1] is niet verschenen op de zitting en heeft geen verweer ingediend.
3.2.
[schuldeiser 2] heeft een vordering van € 4.499,35. Dit was ten tijde van het aanbod 14,1% van de totale schuldenlast. [schuldeiser 2] is niet akkoord gegaan met het aanbod en heeft op zitting haar standpunt toegelicht.
3.3.
[schuldeiser 2] stelt dat de vordering die zij heeft op mevrouw [verzoekster] niet te goeder trouw is ontstaan. Op 20 maart 2019 heeft mevrouw [verzoekster] een leasecontract afgesloten met [schuldeiser 2] . De afspraak was dat mevrouw [verzoekster] voor het geleverde haar(producten) achteraf in 15 termijnen van € 204,- zou betalen. Deze afspraken zijn, volgens [schuldeiser 2] , ook duidelijk met mevrouw [verzoekster] besproken. Daarnaast staat op het contract waar de handtekening van mevrouw [verzoekster] op staat ook dat het om een leasecontract gaat. Het is [schuldeiser 2] ook bekend dat mevrouw [verzoekster] op 20 maart 2019 al een WIA-uitkering had. Zij stelt dat mevrouw [verzoekster] op dat moment al wist dat het voor haar niet haalbaar zou worden om de termijnen te gaan betalen.

4.De beoordeling

4.1.
Het uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een uitkering, staat het belang van verweerder vast.
4.2.
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van mevrouw [verzoekster] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij moet, als de rechtbank daaraan toekomt, een vergelijking worden gemaakt met de situatie dat op mevrouw [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.
4.3.
Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid tot de weigering konden komen, moeten worden gekeken naar de inhoud van het aanbod. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het uiteindelijke aangeboden akkoord aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld.
4.4.
[schuldeiser 2] vertegenwoordigt 14,01% van de totale schuldenlast en heeft een aanmerkelijk belang. Daarnaast overweegt de rechtbank dat er sprake is van een aanbod van 11,71%, waardoor de schuldeisers maar een klein deel van hun totale vordering zullen ontvangen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [schuldeiser 2] in alle redelijkheid het aanbod heeft kunnen weigeren. Bij het afsluiten van het contract is naar oordeel van de rechtbank voldoende aan mevrouw [verzoekster] duidelijk gemaakt dat het zou gaan om een leasecontract. Mevrouw [verzoekster] is deze verplichting aangegaan, terwijl zij kon weten dat zij die niet kon nakomen. De rechtbank weegt bij haar oordeel ook mee dat mevrouw [verzoekster] sinds 2019 geen enkele poging heeft ondernomen om (een gedeelte van) de vordering aan [schuldeiser 2] af te betalen. Ook weegt mee dat mevrouw [verzoekster] sinds 2019 nog meer schulden heeft laten ontstaan, ondanks een al in 2019 uitgesproken beschermingsbewind.
4.6.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
4.7.
Voor het geval het verzoek zou worden afgewezen, heeft mevrouw [verzoekster] verklaard het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te handhaven. Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

5.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.