[verweerder] heeft in de periode van 6 januari 2025 tot 6 mei 2025 een ruim van tevoren geplande, langdurige vakantie gehad. Terwijl hij weg was, is [A] in april 2025 gestart als interim directeur. Op de dag dat [verweerder] zijn werk weer wilde hervatten, op 6 mei 2025, kreeg [verweerder] in zijn allereerste overleg met [A] , waarbij ook mevrouw [D] van HR was aangeschoven, te horen dat hij niet zou functioneren. Verder werd hem toen meegedeeld dat [A] geen verbetertraject wilde starten en dat [verzoekster] [verweerder] een voorstel zou doen om tot beëindiging van het dienstverband te komen.
Niet gebleken is dat [verweerder] tot op dat moment eerder door [verzoekster] was aangesproken op zijn functioneren. Op de mondelinge behandeling is desgevraagd gebleken dat er in de ruim
20 jaar die [verweerder] inmiddels bij [verzoekster] werkte geen P-gesprekken, en dus ook geen beoordelingen hebben plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat er kritiek zou zijn geuit op zijn functioneren. Integendeel, [verweerder] heeft toegelicht dat hem naast het leidinggeven aan zijn eigen afdeling in de loop der jaren diverse andere taken zijn toevertrouwd. Hij maakte niet alleen deel uit van het management team (MT), maar was ook [functie] van [verzoekster] , gaf tevens leiding aan de afdeling Informatie en Adviescentrum Rechtspositie, was namens het dagelijks bestuur van [verzoekster] afgevaardigd (en statutair ingeschreven) als enig bestuurder van [bedrijf] B.V. en hij leidde af en toe speciale projecten.
[verweerder] heeft erkend dat er hier en daar binnen zijn team wel eens onvrede was, maar dat had te maken met impopulaire beslissingen die hij soms als leidinggevende moest nemen, onder meer door een reorganisatie. Dit soort beslissingen kwam van hogerhand. Meer dan dit soort onvrede is hem niet bekend en al zeker geen kritiek op zijn functioneren als zodanig.
[verzoekster] heeft het verzoekschrift onder meer onderbouwd met een rapport van [E] (hierna: [E] ), die de afdeling [functie] ruim 6 maanden als interim-manager heeft geleid eind 2022, begin 2023 toen [verweerder] gevraagd was voor een tijdelijk project. Hij heeft aan het slot van deze interim periode een rapport geschreven. [verzoekster] leidt uit dit rapport kritiek op [verweerder] af. [verweerder] heeft deze stelling van [verzoekster] gepareerd met een verklaring van [E] . Deze schrijft onder meer:
”Dat rapport (…) bevat evenmin kwalificaties over het functioneren van de afdeling [functie] of [verweerder] . Het rapport bevat in algemene termen aanbevelingen voor de [verzoekster] over de vervolgaanpak van de reorganisatie in de volledige breedte (…) Mijn conclusie is dat hij[ [verweerder] , ktr]
voldeed aan de eisen die aan zijn functie als [functie] en [functie] werden gesteld en op veel onderdelen ruim overtrof.”
[verweerder] heeft ook een verklaring overgelegd van mevrouw drs. [C] Mba, die van 2010 tot 2021 algemeen directeur van [verzoekster] was. Zij verklaart onder meer:
“Ik ken [verweerder] als een expert op zijn vakgebied, een uitstekend functionerend afdelingshoofd en in zijn geheel een coöperatieve en fijne collega”.
De inzet van een coach voor [verweerder] kan de kantonrechter er ook niet van overtuigen dat hieruit blijkt dat kritiek op het functioneren van [verweerder] met hem is besproken. [verweerder] heeft uiteengezet dat op enig moment alle MT-leden een coach kregen. [verzoekster] heeft daarover opgemerkt dat voor [verweerder] deze inzet iets is vervroegd, maar ook als dat juist is doet dat er niet aan af dat dit een generieke maatregel was voor alle MT-leden. Per saldo kan de kantonrechter niet anders dan vaststellen dat [verweerder] op 6 mei 2025 compleet werd overvallen door de fundamentele kritiek op zijn functioneren. De kantonrechter rekent [verzoekster] dit zeer zwaar aan.