Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1338

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11859018 \ UC EXPL 25-6964
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 10 lid 5 algemene voorwaardenArt. 150 RvArt. 6:96 BWArt. 6:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument hoeft geen opzegtermijn te betalen bij voortijdig stoppen met particulier onderwijs

De zoon van de consument volgde particulier onderwijs bij eiseres en stopte voortijdig. Eiseres vorderde betaling van acht weken schoolgeld en boekengeld, verminderd tot €2.367,44 na betaling van €2.150. De consument betwistte de vordering en stelde dat slechts vier weken betaald hoefden te worden. De kantonrechter oordeelde dat de consument vier weken schoolgeld en boekengeld moet betalen, maar niet de opzegtermijn, omdat deze niet duidelijk was medegedeeld.

De kantonrechter toetste ambtshalve de consumentenbescherming en vernietigde het rentebeding in de algemene voorwaarden omdat het aanzienlijk hoger was dan de wettelijke rente en daardoor onredelijk bezwarend. De bewijs- en stelplicht lag bij eiseres om aan te tonen dat de opzegtermijn was overeengekomen, wat niet is gelukt. Verklaringen van medewerkers van eiseres bevestigden dat de directeur niet duidelijk was over de opzegtermijn.

De consument mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij slechts vier weken schoolgeld en boekengeld hoefde te betalen. Eiseres kreeg wel een gedeeltelijke vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, maar het gevorderde bedrag werd naar rato verminderd. De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Consument hoeft alleen vier weken schoolgeld en boekengeld te betalen, zonder opzegtermijn, en betaalt een deel van de incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11859018 \ UC EXPL 25-6964
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: M.A. Levelink,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 augustus 2025, met zeven producties,
- de conclusie van antwoord
- de brief waarmee is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waaraan de zittingsaantekeningen van de griffier en twee e-mails van [eiseres] van 8 januari 2026 zijn gehecht.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de zittingsaantekeningen van de griffier en de twee e-mails van [eiseres] . [gedaagde] heeft niet gereageerd. Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
De zoon van [gedaagde] heeft particulier onderwijs gevolgd bij [eiseres] en is voortijdig gestopt. [eiseres] vordert in deze procedure betaling van acht weken schoolgeld en boekengeld. Na vermindering van de eis, door de betaling van € 2.150,00, gaat dit om een bedrag van € 2.367,44 inclusief rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens haar is afgesproken dat zij maar vier weken schoolgeld en boekengeld hoeft te betalen. Het daarmee gemoeide bedrag van € 2.150,00 heeft [gedaagde] tijdens deze procedure betaald. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] vier weken schoolgeld en het boekengeld moet betalen. [gedaagde] wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en iedere partij moet de eigen proceskosten betalen.

3.De beoordeling

Ambtshalve toetsing aan regels van consumentenbescherming
3.1.
In de verhouding tot [eiseres] is [gedaagde] een consument. Dat betekent dat de regels van consumentenbescherming moeten worden toegepast. Dat zijn in de eerste plaats de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek. De kantonrechter heeft geconstateerd dat aan de toepasselijke essentiële informatieplichten is voldaan.
3.2.
Ook moet de kantonrechter toetsen op oneerlijke bedingen. In artikel 10 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden staat:
‘Indien de leerling In gebreke blijft in de betaling binnen de termijn van 14 dagen dan is de leerling van rechtswege in verzuim. De leerling is alsdan een rente verschuldigd van 1% per maand, tenzij de wettelijke rente hoger is in welk geval de wettelijke rente geldt. De rente over het opeisbaar bedrag zal worden berekend vanaf het moment dat de leerling In verzuim Is tot het moment van voldoening van het volledige bedrag.’
De bedongen rente is aanzienlijk hoger dan de wettelijke rente voor consumententransacties was op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. De bedongen rente bedraagt 1% per maand (dit komt neer op 12% per jaar) en de wettelijke rente voor consumententransacties bedroeg ten tijde van het aangaan van de overeenkomst 6%. Dat is dus een verdubbeling. Ook komt de bedongen rente hoger uit dan de wettelijke handelsrente van 11,15% in 2025. Een rechtvaardiging voor dit verschil is niet gesteld of gebleken. Door die hogere bedongen rente wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Om die reden is het rentebeding oneerlijk en (dus) onredelijk bezwarend en wordt het door de kantonrechter vernietigd.
Inhoudelijke toetsing: [gedaagde] moet vier weken schoolgeld betalen
3.3.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat er uit coulance tussen partijen de nadere afspraak is gemaakt dat [gedaagde] vier weken schoolgeld, boekengeld en een opzegvergoeding die gelijk is aan vier weken schoolgeld moest betalen. Het totaalbedrag hiervoor is € 3.860,00. Volgens [gedaagde] hield de nadere afspraak in dat zij vier weken schoolgeld en boekengeld moest betalen. Dat is een bedrag van € 2.150,00. Partijen twisten dus over de vraag of [gedaagde] de opzegtermijn van vier weken moet betalen. Die opzegtermijn staat in de algemene voorwaarden van [eiseres] .
3.4.
Op grond van artikel 150 Rv Pro is het aan [eiseres] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat partijen de nadere afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] acht weken schoolgeld zou betalen. Aan die stelplicht en bewijslast is niet voldaan. Op grond van de stukken en het gesprek tijdens de zitting kan niet worden aangenomen dat [eiseres] [gedaagde] heeft gewezen op de opzegtermijn in de algemene voorwaarden. [eiseres] heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij mocht aannemen dat [gedaagde] die bepaling kende en daarmee bij het maken van de nadere afspraak rekening heeft gehouden.
3.5.
De heer [A] (administratief medewerker van [eiseres] , hierna: [A] ) heeft ter zitting verklaard dat de heer [B] (directeur van [eiseres] , hierna: [B] ) in het gesprek met [gedaagde] heeft gezegd dat [eiseres] vier weken in rekening zou brengen in plaats van de zeven weken die de zoon van [gedaagde] lessen heeft gevolgd. De coulance van de afspraak zat hem erin dat [B] van zeven naar vier weken is gegaan. Daarnaast staat in de algemene voorwaarden dat vier weken opzegtermijn moeten worden betaald. [A] heeft verklaard dat [B] daar niet heel duidelijk in is geweest en dat dat duidelijker had gekund. Volgens hem is een directeur zich daar niet altijd bewust van. De kantonrechter heeft ter zitting gevraagd aan [A] wat [B] vindt van de toezegging van vier weken. Daarop heeft [A] verklaard dat [B] de opzegtermijn niet in gedachten had, dat dat zijn vak niet is en dat hij daar zelden mee te maken heeft.
3.6.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij een gesprek heeft gehad met [B] en dat hij in dat gesprek heeft aangegeven dat hij slechts vier weken in rekening zou laten brengen en de schoolboeken zou doorbelasten. Verder heeft hij volgens [gedaagde] gezegd dat bij betaling daarvan de rekening voor de genoten tijd van haar zoon bij [eiseres] was voldaan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij het zo een redelijk voorstel vond en dat zij heeft aangeboden de schoolboeken aan [eiseres] te schenken. Er is volgens [gedaagde] niet gesproken over of gewezen op meer te moeten betalen dan vier weken. Verder voert [gedaagde] aan dat het voor haar niet duidelijk was dat zij het deel van de vordering waarover geen onenigheid bestond al had moeten betalen.
3.7.
De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [eiseres] dat zij zich erop beroept dat de verklaring van [B] , dat hij aan [gedaagde] vier weken in rekening zou brengen, ook inhoudt dat daarnaast de opzegtermijn van vier weken schoolgeld (op basis van de algemene voorwaarden) in rekening zouden worden gebracht. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat zij zich erop beroept dat zij erop mocht vertrouwen dat er alleen vier weken schoolgeld en boekengeld in rekening zou worden gebracht.
3.8.
In dit geval, waarin het gaat om een transactie met een consument, had [B] bij het maken van de nadere afspraak over de afwikkeling van de overeenkomst, moeten waarschuwen voor de termijn uit de algemene voorwaarden. Nu hij dat niet heeft gedaan, hoefde [gedaagde] daarop niet bedacht te zijn. Zij mocht aannemen dat zij slechts vier weken, het aantal weken dat partijen mondeling hebben afgesproken, hoefde te betalen. Overigens blijkt uit de verklaring van [A] dat [B] de algemene voorwaarden mogelijk zelf niet scherp voor ogen heeft gehad. [eiseres] kan niet van [gedaagde] verwachten dat zij daarop dan wel bedacht is geweest.
3.9.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de afspraak is gemaakt dat zij in totaal vier weken schoolgeld en boekengeld (€ 2.150,00) zou betalen.
3.10.
[eiseres] heeft rente gevorderd over het bedrag dat [gedaagde] verschuldigd is. Het beding in de algemene voorwaarde is door de kantonrechter vernietigd, daarom wordt de rentevordering afgewezen.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten vergoeden
3.11.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 511,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] is een consument en daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Dit komt omdat een deel van de vordering van [eiseres] wordt afgewezen. De kantonrechter zal daarom alleen het deel van de buitengerechtelijke incassokosten over het bedrag van € 2.150,00 toewijzen. Dit betekent dat een bedrag zal worden toegewezen van € 322,50.
Conclusie
3.12.
[gedaagde] is in totaal een bedrag van € 2.472,50 verschuldigd. [gedaagde] heeft op 7 en 8 januari 2026 in totaal € 2.150,00 aan [eiseres] betaald. Op grond van artikel 6:44 BW Pro strekt dit als eerst in mindering op de kosten. Dit betekent dat [gedaagde] nog een bedrag van € 322,50 moet betalen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.13.
Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De kantonrechter zal de proceskosten daarom compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. [gedaagde] had er beter aan gedaan het bedrag van € 2.150,00 meteen aan [eiseres] te betalen nadat het was afgesproken. In ieder geval had zij dat moeten doen in de week van 29 september 2025. Zij heeft in de conclusie van antwoord van die datum immers betaling toegezegd. Maar nadien heeft [eiseres] het standpunt gehandhaafd dat acht weken betaald moesten worden. En daarin heeft [eiseres] geen gelijk gekregen.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
3.14.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 322,50 aan [eiseres] ,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.
64510