Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1309

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
UTR_26_1975
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16.2 bestemmingsplan Utrechtseweg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitbreiding woning in strijd met omgevingsplan

Deze uitspraak betreft het verzoek van een buurman om een voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning die is verleend voor de uitbreiding van een woning aan de achterzijde, waarbij de bouwhoogte het omgevingsplan overschrijdt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de uitbreiding over twee bouwlagen de maximale bouwhoogte met 2,02 meter overschrijdt en deels buiten het bouwvlak ligt. Het college heeft gemotiveerd dat de uitbreiding past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mede gelet op de kenmerken van de buurt en eerdere precedentwerking.

Verzoeker voert aan dat het bouwplan zijn uitzicht, bezonning, lichttoetreding en privacy schaadt, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat het verlies van uitzicht en licht beperkt is en dat er geen recht op behoud van uitzicht bestaat in deze stedelijke omgeving.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit voorlopig rechtmatig is en dat het belang van de vergunninghouder bij uitvoering van de vergunning zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en wordt de omgevingsvergunning niet geschorst.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de woninguitbreiding wordt afgewezen en de vergunning wordt niet geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1975

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college
(gemachtigde: mr. C.E.A. Mendels).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende]uit [plaats] (de vergunninghouder).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) waarbij het college een omgevingsvergunning heeft verleend aan de vergunninghouder voor het in afwijking van het omgevingsplan verduurzamen en het uitbreiden aan de achterzijde van de woning op het adres [adres 1] in [plaats] . Het gaat om een uitbreiding op de begane grond en de eerste verdieping van de woning. Verzoeker is de buurman van vergunninghouder en woont ten noorden van de vergunninghouder op het adres [adres 2] in [plaats] . Hij is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft daartegen bezwaar gemaakt en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de bouwwerkzaamheden worden opgeschort.
1.1.
Het verzoek om voorlopige voorziening is op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: verzoeker met zijn partner [A] , de gemachtigde van het college en de vergunninghouder met zijn partner [B] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij een beslissing van de voorzieningenrechter. De vergunninghouder is aangevangen met de bouwwerkzaamheden, terwijl de aan hem verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is en de gevolgen voor verzoeker thans al wel voelbaar zijn. Verzoeker heeft daarom belang bij een beslissing van de voorzieningenrechter op zijn verzoek.
Ingetrokken grond
4. Verzoeker heeft op de zitting de grond ingetrokken dat voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden geen controle heeft plaatsgevonden of de fundering de extra belasting van de dakopbouw kan dragen. De voorzieningenrechter zal deze grond daarom niet verder bespreken.
Beoordelingskader
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zo gebrekkig is dat dit in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak daarom eerst een voorlopig oordeel over de kans van slagen van het bezwaarschrift en daarmee over de vraag of de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend of niet. Daarna zal hij beoordelen of de belangen van verzoeker om de omgevingsvergunning te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en de vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoeker.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6. Voor het perceel [adres 1] in [plaats] geldt het omgevingsplan “gemeente Hilversum” (het omgevingsplan). Voor 1 januari 2024 was het bestemmingsplan “Utrechtseweg” (het bestemmingsplan) van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan “gemeente Hilversum” (het omgevingsplan).
7. Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de uitbouw over twee bouwlagen in strijd is met het omgevingsplan, omdat de maximaal toegestane bouwhoogte van 4 meter met 2,02 meter wordt overschreden [1] . De uitbreiding op de verdieping ligt 1,4 meter dieper dan het bouwvlak. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat deze overschrijding van het omgevingsplan het geel ingekleurde vlakje in onderstaande tekening betreft. Het bouwplan voldoet, met uitzondering van dit gele vlak, aan de in het omgevingsplan voorgeschreven bouwregels.
8. Het college heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat de activiteit voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft daartoe gemotiveerd dat het pand in een buurt ligt met kenmerken van een vroege dorpsuitbreiding. De buurt bestaat uit (zeer) smalle straten en is relatief dicht bebouwd. De bebouwing bestaat oorspronkelijk vooral uit lage woningen van één laag met (mansarde)kap, vaak verbouwd met een opgetrokken voorgevel en/of diverse aanbouwen aan de achterzijde. In dergelijke buurten is uitbreiding aan de achterzijde te verkiezen boven een extra verdieping of een hogere kap. De uitbreiding op de verdieping komt deels buiten het bouwvlak maar blijft in hoogte onder de nok. De uitbouw zal vanuit de openbare ruimte niet of nauwelijks te zien zijn. Vanuit stedenbouw is er geen bezwaar tegen de uitbreiding. De overschrijding is van bescheiden omvang en precedentwerking heeft in de omgeving al plaatsgevonden.
9. Verzoeker voert aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Het uitzicht vanuit zijn woning wordt aanzienlijk beperkt door het bouwplan. Verzoeker vindt dat het college onvoldoende heeft onderzocht wat de gevolgen van het bouwplan zijn voor de bezonning, lichttoetreding en privacy van verzoeker.
10. De voorzieningenrechter constateert dat de vergunninghouder de bezonningsstudie ná het bestreden besluit heeft laten uitvoeren. De voorzieningenrechter heeft verder met partijen op de zitting besproken dat indien zou worden gebouwd conform het omgevingsplan óók sprake zou zijn van enig verlies van uitzicht en dag- en zonlicht voor verzoeker.
11. Het college heeft toegelicht dat, hoewel het voorstelbaar is dat verzoeker graag enig doorzicht wenst, er geen recht op uitzicht of behoud van uitzicht bestaat. In een stedelijke omgeving als deze met kleine huizen en waar de bebouwing dicht op elkaar staat, is dit onontkoombaar. Het college vindt het verlies van uitzicht/doorzicht van verzoeker niet dusdanig onevenredig in deze stedelijke omgeving dat dit moet leiden tot weigering van de aanvraag.
12. De voorzieningenrechter kan het college hierin volgen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de woning met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet onaanvaardbaar is. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat aan het bestreden besluit zodanige gebreken kleven dat de verleende omgevingsvergunning geen stand zal kunnen houden in bezwaar. Hoewel uit het bezonningsonderzoek blijkt dat er sprake is van enige vermindering van lichtinval bij de woning van verzoeker, kan deze, tegen de achtergrond van de stedelijke omgeving waarin het bouwplan zich bevindt, als beperkt worden gezien. Daarom weegt de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder bij het kunnen uitvoeren van de omgevingsvergunning zwaarder dan het belang van verzoeker. Gelet op deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Ingevolge artikel 16.2, aanhef en onder 16.2.2 sub c, onder 2, van het bestemmingsplan “Utrechtseweg”.