ECLI:NL:RBMNE:2026:1281

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
11959011 UE VERZ 25-342 CFd/63200
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en verweerster vastgesteld

Verzoekster heeft werkzaamheden verricht die ten goede kwamen aan verweerster, maar de rechtbank stelt vast dat er geen directe overeenkomst tussen partijen is gesloten. Verzoekster voerde aan dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was, terwijl verweerster betwistte dat er een overeenkomst bestond en stelde dat werkzaamheden via de holding van verzoeksters partner liepen.

De rechtbank analyseerde de contractuele relatie en concludeerde dat verzoekster geen bewijs heeft geleverd van een directe verbintenis met verweerster. Betalingen en afspraken liepen via de onderneming van haar partner, en verweerster had geen directe instructies of toezicht op verzoeksters werkzaamheden.

Daarom is niet voldaan aan de criteria van artikel 7:610 BW Pro voor een arbeidsovereenkomst. Verzoeksters vorderingen tot billijke vergoeding, transitievergoeding, onregelmatige opzegging, achterstallig salaris en andere vergoedingen worden afgewezen. Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Geen arbeidsovereenkomst vastgesteld; alle vorderingen van verzoekster worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11959011 UE VERZ 25-342 CFd/63200
Beschikking van 19 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. H. Vermeulen,
tegen
[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen;
  • het verweerschrift van [verweerster] , met bijlagen;
  • de brief van 13 februari 2026 van [verzoekster] , met bijlagen;
  • de brief van 16 februari 2026 van [verzoekster] , met één bijlage;
  • de brief van 18 februari 2026 van [verweerster] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekster] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verweerster] .
1.2.
Op 19 februari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [verzoekster] was aanwezig met haar broer, partner en de gemachtigde. Namens [verweerster] is verschenen de heer [bestuurder] (bestuurder van [verweerster] ) met de gemachtigde.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verzoekster] werkzaamheden voor (de rechtsvoorganger van) [verweerster] heeft uitgevoerd. Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen [verzoekster] en [verweerster] een overeenkomst tot stand is gekomen, en zo ja, of deze gekwalificeerd kan worden als arbeidsovereenkomst. [verzoekster] meent van wel en verzoekt om een verklaring voor recht dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is geweest voor [verweerster] . Volgens [verweerster] is er geen sprake van een (arbeids)overeenkomst tussen haar en [verzoekster] . Voor zover dat wel het geval zou zijn heeft [verweerster] [verzoekster] op staande voet ontslagen op 9 september 2025.
[verzoekster] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding, en een vergoeding voor onregelmatige opzegging. Ook verzoekt [verzoekster] om betaling door [verweerster] van achterstallig salaris, vakantiegeld en vakantiedagen. Tot slot maakt zij aanspraak op wettelijke rente, wettelijke verhoging en een eindafrekening. [verweerster] vindt dat de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen. [verweerster] krijgt gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1.
De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Dat staat in artikel 7:610 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Voordat kan worden toegekomen aan de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet eerst worden vastgesteld of partijen ( [verzoekster] en [verweerster] ) zich contractueel tot elkaar hebben verbonden. Pas als dat kan worden vastgesteld komt de vraag aan de orde of die overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Het antwoord op de vraag of partijen zich tot elkaar hebben verbonden is afhankelijk van hetgeen zij over een weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden.
Achtergrond van de zaak
3.2.
[verweerster] is een agrarische onderneming die zich richt op het fokken en afmesten van Jersey kalveren voor de vleesproductie. Daarnaast exploiteert zij een boerderijwinkel, waarbij gebruik wordt gemaakt van vrijwilligers. [verzoekster] woonde samen met haar partner, de heer [A] , op het terrein van [verweerster] . [A] is actief als ondernemer. De holdingvennootschap van [A] , [bedrijf] B.V., was medeoprichter en statutair bestuurder van [verweerster] . Ook [verzoekster] staat in de Kamer van Koophandel ingeschreven met een eenmanszaak. [A] en [verzoekster] hebben voor eigen rekening onder meer betaalde diners georganiseerd op het landgoed en groentepakketten verkocht via de boerderijwinkel. [verzoekster] verrichtte ook werkzaamheden in loondienst elders. Zoals hierna aan de orde komt deed zij ook werk dat ten goede kwam aan [verweerster] . De holding van [A] factureerde door [A] en [verzoekster] gemaakte uren, niet-uitgesplitst (‘uren [A] en [verzoekster] ’), aan [verweerster] .
Op 27 juni 2025 is de holding van [A] als bestuurder ontslagen.
3.3.
Tussen partijen staat vast dat [verzoekster] vanaf september 2022 mede werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de (rechtsvoorganger van de) [verweerster] . Volgens [verzoekster] heeft zij die werkzaamheden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst met [verweerster] . [verweerster] betwist dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst tussen haar en [verzoekster] . Volgens [verweerster] was er sprake van een overeenkomst tussen [verweerster] en de holding van [A] , althans desnoods [A] zelf. Wat [verzoekster] aan werk heeft gedaan was ter ondersteuning van [A] , dus (maximaal) in opdracht of onder leiding en toezicht van (de holding van) [A] . [verweerster] had daarmee geen bemoeienis.
Er is geen sprake van een overeenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster]
3.4.
De kantonrechter stelt vast dat [verzoekster] een verzoekschrift van 55 pagina’s met heel veel documenten (55 producties) heeft overgelegd. De documenten hebben veelal betrekking op (de holding van) [A] . Uit de documenten kan worden afgeleid dat [verzoekster] betrokkenheid had bij de boerderij van [verweerster] , dat zij activiteiten voor eigen rekening ontplooide op het terrein van [verweerster] en ook dat zij werkzaamheden heeft verricht die ten goede kwamen aan [verweerster] , maar op geen enkele manier dat [verzoekster] zich
contractueelheeft verbonden ten opzichte van [verweerster] of omgekeerd. [verzoekster] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij opdracht of instructies kreeg van [verweerster] . Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt juist dat [verweerster] niet precies wist welke werkzaamheden [verzoekster] verrichtte en dat [verzoekster] zelf - in overleg met [A] - bepaalde of en wanneer zij werkzaamheden ten behoeve van [verweerster] verrichtte. Zo heeft [verzoekster] begin 2025 een opleiding gevolgd in het buitenland, waarvoor zij enkele maanden afwezig is geweest, zonder dat daar enige afstemming over is geweest met [verweerster] . Dat [verweerster] enige bemoeienis had met door [verzoekster] verrichte werkzaamheden is niet gebleken.
3.5.
[verweerster] heeft [verzoekster] ook niet rechtstreeks betaald voor haar werkzaamheden. Betalingen verliepen in eerste instantie via de eenmanszaak van [A] : in de periode van september 2022 tot en met december 2023 heeft [A] via zijn eenmanszaak verschillende declaraties gestuurd voor werkzaamheden van hemzelf en [verzoekster] . Op 8 mei 2024 is [verweerster] B.V. opgericht. Vanaf dat moment heeft [A] via [bedrijf] B.V. de exploitatie van [verweerster] overgenomen. Uit de correspondentie blijkt dat [A] aan de aandeelhouders van [verweerster] meerdere keren heeft gevraagd om een betere compensatie voor werkzaamheden die hij en [verzoekster] hebben verricht. Ook toen kwamen verzoeken om betaling van [A] en liepen betalingen ook volledig via de holding van [A] . Hoewel uit de correspondentie kan worden afgeleid dat de aandeelhouders van [verweerster] van mening waren dat voor de werkzaamheden meer moest worden betaald, is daarover geen overeenstemming bereikt. Ook als er wel sprake zou zijn van een toezegging rond een betere compensatie, dan kan daaruit nog niet worden afgeleid dat op enigerlei wijze een (arbeids)overeenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster] zou zijn ontstaan. Dat [verzoekster] daar op enig moment in 2025 om is gaan vragen maakt nog niet dat er een overeenkomst tot stand is gekomen.
De verzoeken van [verzoekster] worden afgewezen
3.6.
De conclusie is dat de kantonrechter al met al niet kan vaststellen dat sprake is van een rechtstreekse verbintenis - en daarmee van een overeenkomst - tussen [verzoekster] en [verweerster] . [verzoekster] is ingezet via/ door (de onderneming van) haar partner, als het ware als een verlengstuk van hem. Nu er geen sprake is van een overeenkomst tussen [verweerster] en [verzoekster] komt de kantonrechter ook niet toe aan een kwalificatie als arbeidsovereenkomst. Dit alles leidt ertoe dat alle verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen.
Proceskosten
3.7.
[verzoekster] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt.
De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [verweerster] tot vandaag vast op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de verzoeken van [verzoekster] af;
4.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, die aan de kant van [verweerster] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.009,-;
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.