ECLI:NL:RBMNE:2026:1267

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
UTR 26/965
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort van 29 januari 2026. Verzoeker verzocht om schorsing van dit besluit en herbeoordeling van zijn aanvraag.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De kern van de beoordeling betrof de betaling van het griffierecht van € 200,-, dat volgens de wet tijdig voldaan moet worden.

De griffier had verzoeker bij aangetekende brief van 30 januari 2026 een termijn van twee weken gegeven om het griffierecht te betalen. Verzoeker heeft dit niet gedaan en gaf geen geldige reden voor het verzuim. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Veenendaal en griffier R. van Manen op 17 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/965

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort

(gemachtigde: S.A.R. Joemmanbaks).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om het besluit van 29 januari 2026 van het college te schorsen en het college op te dragen om de door hem ingediende aanvraag opnieuw te beoordelen.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit is geregeld in de artikelen 8:82 en 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht. In deze zaak is het griffierecht € 200,-.
4. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Binnen die termijn moet het hele bedrag bijgeschreven zijn op de rekening van de rechtbank of betaald zijn op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 30 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoeker heeft het griffierecht niet (op tijd) betaald. Voor dit verzuim heeft verzoeker geen geldige reden gegeven. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.