Werknemer, die sinds 2018 in dienst is en sinds 2022 de dagelijkse leiding heeft, is op 9 februari 2026 door de CEO van werkgever geschorst en de toegang tot bedrijfssystemen ontzegd. Werknemer wil deze ordemaatregelen snel opgeheven zien, mede ter voorbereiding op een ontbindingsprocedure die op 9 april 2026 zal worden behandeld.
De voorzieningenrechter constateert een ernstige vertrouwenscrisis tussen werknemer en werkgever, waarbij het MT het vertrouwen in werknemer heeft opgezegd en dreigt op te stappen als werknemer terugkeert. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van werkgever bij ongestoorde voortgang zwaarder weegt dan het belang van werknemer om zijn werkzaamheden te hervatten.
De oorspronkelijk aangevoerde gronden voor schorsing, zoals misleiding en financieel wanbeleid, zijn onvoldoende onderbouwd. Ook de latere verwijten zijn niet concreet genoeg bewezen. De vertrouwenscrisis en angstcultuur binnen de organisatie, bevestigd door verklaringen van medewerkers, maken terugkeer op korte termijn onwenselijk.
Werknemer ontvangt tijdens schorsing loon en kan stukken opvragen ter voorbereiding van de ontbindingsprocedure. De voorzieningenrechter wijst de vordering af, veroordeelt werknemer in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.