ECLI:NL:RBMNE:2026:1246

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
12005582 \ LC EXPL 25-2605
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging overeenkomst wegens bedrog door zich voordoen als advocaat

Eiseres gaf gedaagde opdracht om haar bij te staan in een procedure tegen haar ex-vriend, waarbij gedaagde zich voordeed als advocaat. Eiseres betaalde €580, maar ontdekte later dat gedaagde geen advocaat was. Zij vernietigde de overeenkomst buitengerechtelijk en vorderde terugbetaling.

Gedaagde voerde aan nooit als advocaat te hebben opgetreden en stelde dat zij andere werkzaamheden had verricht, maar kon dit niet onderbouwen. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van bedrog omdat gedaagde zich op verschillende manieren als advocaat presenteerde, onder meer via appberichten en social media.

De overeenkomst werd rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedrog, waardoor het betaalde bedrag onverschuldigd was. Gedaagde werd veroordeeld tot terugbetaling van €580, wettelijke rente vanaf 24 september 2025 en proceskosten van €450. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €580 met rente en proceskosten wegens bedrog en vernietiging van de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12005582 \ LC EXPL 25-2605
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. H. Hulshof,
toevoegingsnummer: [.] ,
tegen
[gedaagde] , handelende onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 november 2025 met producties 1 tot en met 4;
- de mondelinge en aanvullende conclusie van antwoord met bijlagen;
- de conclusie van repliek met productie 1;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft aan [gedaagde] de opdracht verstrekt om haar bij te staan bij een (gerechtelijke) procedure tegen haar ex-vriend. [eiseres] wilde namelijk een geldbedrag van haar ex-vriend terugvorderen. [gedaagde] zou in deze als advocaat van [eiseres] optreden. [gedaagde] heeft de opdracht aanvaard. [eiseres] heeft [gedaagde] voor de te verrichte werkzaamheden in totaal een bedrag van € 580,00 betaald. [eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens diverse malen gevraagd naar de voortgang in de zaak, maar daarop geen antwoord van [gedaagde] gekregen. Op enig moment is [eiseres] erachter gekomen dat [gedaagde] geen advocaat was. Hierop heeft [eiseres] de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd en [gedaagde] verzocht haar het bedrag van € 580,00 terug te betalen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [eiseres] wil dat [gedaagde] het bedrag van € 580,00, met rente en kosten, alsnog betaalt. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vorderingen van [eiseres] .
2.2.
De kantonrechter geeft [eiseres] gelijk. [gedaagde] moet het bedrag van € 580,00, met rente en kosten, aan [eiseres] betalen.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet het bedrag van € 580,00 aan [gedaagde] betalen
3.1.
Vaststaat dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst) heeft bestaan. Ook staat vast dat [eiseres] het bedrag van € 580,00 (in twee delen van € 460,00 en € 120,00) aan [gedaagde] heeft betaald. Partijen verschillen van mening of [eiseres] de overeenkomst buitengerechtelijk had mogen vernietigen op grond waarvan [gedaagde] gehouden is [eiseres] het bedrag van € 580,00 terug te betalen.
3.2.
[eiseres] meent dat zij rechtsgeldig de overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, omdat er sprake was van primair bedrog en subsidiair van dwaling. [gedaagde] heeft zich namelijk voorgedaan als advocaat, terwijl zij dat niet was.
3.3.
[gedaagde] stelt dat zij zich nooit als advocaat heeft voorgedaan. Zij heeft [eiseres] juist geadviseerd om contact op te nemen met een advocaat. Wel heeft zij verschillende werkzaamheden voor [eiseres] verricht waaronder het opstellen en verzenden van brieven in de Poolse taal aan de ex-vriend van [eiseres] . Ook heeft zij belastingaangiftes en aanvragen toeslagen voor [eiseres] gedaan. Die werkzaamheden zijn door [eiseres] betaald. Alle documenten en brieven heeft zij aan [eiseres] overgedragen. [eiseres] heeft dat bevestigd en geaccepteerd, aldus [gedaagde] .
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van bedrog. [eiseres] heeft rechtsgeldig de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd. [gedaagde] moet [eiseres] daarom het bedrag van € 580,00 terugbetalen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Er is sprake van bedrog
3.5.
Beoordeeld moet worden of het handelen van [gedaagde] kwalificeert als bedrog. Artikel 3:44 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat bedrog aanwezig is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enge opzettelijke daartoe gedane onjuiste mededeling door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.
3.6.
[eiseres] heeft onderbouwd gesteld dat de overeenkomst tussen partijen door bedrog tot stand is gekomen. [gedaagde] heeft zich namelijk voorgedaan als advocaat om daarmee [eiseres] te bewegen een overeenkomst met haar aan te gaan en betalingen aan te verrichten. Uit de appberichten in productie 2 bij dagvaarding volgt dat [eiseres] op 18 maart 2025 per app contact met [gedaagde] heeft opgenomen met de vraag of zij een afspraak kon maken met [gedaagde] , omdat zij advies van een advocaat nodig had. [gedaagde] heeft daarop gereageerd met de mededeling dat dat natuurlijk kon en of [eiseres] telefonisch een afspraak wilde. [gedaagde] heeft met die mededeling [eiseres] nadrukkelijk in de veronderstelling gelaten dat [gedaagde] een advocaat was die [eiseres] advies kon geven. Vervolgens heeft [gedaagde] [eiseres] een tikkie gestuurd voor een bedrag van
€ 460,00 met de omschrijving ‘
betaling voor procedure’. Verder blijkt uit de correspondentie dat [eiseres] herhaaldelijk aan [gedaagde] heeft gevraagd om informatie over de stand van zaken en de verzonden gegevens. Op 19 juni 2025 heeft [gedaagde] [eiseres] bericht dat zij weer in het land was en dat zij van [eiseres] wilde weten of [eiseres] naar een volgende fase wilde gaan want als dat zo was, zou zij een verzoek indienen om een toevoeging. Omdat een toevoeging door een advocaat of mediator wordt aangevraagd, hield naar het oordeel van de kantonrechter [gedaagde] ook hiermee de schijn op dat zij advocaat was. Verder blijkt dat [gedaagde] zich op haar website en social media accounts zich presenteert als advocaat/expert, gespecialiseerd in arbeidsrecht en belastingrecht in Nederland (zie productie 1 bij de conclusie van repliek).
3.7.
Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing heeft [gedaagde] enkel gesteld – zonder enige onderbouwing – dat zij [eiseres] duidelijk zou hebben gemaakt dat zij geen advocaat zou zijn en [eiseres] zou hebben geadviseerd een advocaat in te schakelen, maar dat is onvoldoende. Het had op de weg van [gedaagde] om haar standpunt op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
3.8.
Wat [gedaagde] heeft aangevoerd over welke werkzaamheden zij voor [eiseres] zou hebben uitgevoerd en de documentatie aan [eiseres] zou hebben verstrekt – dat [eiseres] overigens gemotiveerd heeft betwist – doet in het kader van de beoordeling van of er sprake is van bedrog niet ter zake. Het gaat nu immers niet om de vraag welke werkzaamheden [gedaagde] voor [eiseres] al dan niet zou hebben uitgevoerd en/of [gedaagde] in de uitvoering daarvan al dan niet tekortgeschoten zou zijn, maar of [gedaagde] zich bij aanvang van de overeenkomst zich heeft voorgedaan tegenover [eiseres] als advocaat op basis waarvan [eiseres] de opdracht aan [gedaagde] heeft verstrekt en of zij deze schijn ook daarna heeft opgehouden waardoor ook de tweede deelbetaling heeft plaatsgevonden.
3.9.
De conclusie is dan ook dat [eiseres] voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] opzettelijk een onjuiste mededeling heeft gedaan dan wel opzettelijk heeft gezwegen dat zij geen advocaat was en dat [gedaagde] daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [eiseres] door haar handelen zou worden misleid bij het sluiten van de overeenkomst.
De overeenkomst is rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd
3.10.
Een overeenkomst die tot stand komt door bedrog is vernietigbaar. Vernietiging kan door een buitengerechtelijke verklaring gedaan worden. [eiseres] heeft de overeenkomst bij brief van 9 september 2025 buitengerechtelijk vernietigd op grond van bedrog (productie 4 bij dagvaarding). De rechtsgeldigheid van deze buitengerechtelijke vernietiging is door [gedaagde] niet betwist. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd.
De vernietiging van de overeenkomst heeft tot gevolg dat [gedaagde] het bedrag van € 580,00 aan [eiseres] moet terugbetalen
3.11.
Als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst heeft de overeenkomst tussen partijen nooit bestaan en het door [eiseres] betaalde bedrag van € 580,00 is dan ook onverschuldigd betaald. [gedaagde] moet het bedrag van € 580,00 daarom aan [eiseres] terugbetalen. De vordering tot betaling van € 580,00 wordt dan ook toegewezen.
Subsidiaire grondslag behoeft geen bespreking
3.12.
Omdat de primaire grondslag slaagt, behoeft de subsidiaire grondslag niet besproken te worden.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.13.
Tegen de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot volledige betaling is geen verweer gevoerd. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen.
Het overig verweer van [gedaagde] behoeft geen bespreking
3.14.
[gedaagde] heeft in haar verweer nog aangevoerd dat [eiseres] – kortgezegd – onrechtmatig haar persoonsgegevens heeft verspreid op social media. Dat verweer van [eiseres] behoeft geen bespreking, omdat [gedaagde] geen vordering aan het gestelde handelen van [eiseres] heeft verbonden.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
Totaal
450,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 24 september 2025 tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 450,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
HHt/37278