ECLI:NL:RBMNE:2026:1243

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/16/592147 / HL ZA 25-109
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 lid 1 BWArt. 3:314 lid 2 BWArt. 3:306 BWArt. 5:54 BWArt. 5:62 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling eigendom en erfafscheiding bij burengeschil over grondstrook

In deze civiele zaak tussen buren over een grondstrook tussen hun percelen heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat de kadastrale grens de juridische grens vormt. Eisers vorderden een verklaring voor recht dat zij eigenaar zijn geworden van de strook grond door bevrijdende verjaring, maar deze vordering is afgewezen omdat feitelijke bezitsdaden ontbraken en overleg tussen partijen het bezit uitsloot.

Daarnaast vorderden eisers dat de erfafscheiding op de oorspronkelijke plaats zou worden teruggezet en dat gedaagde onrechtmatig handelde door werkzaamheden op de grondstrook te verrichten. Deze vorderingen zijn eveneens afgewezen omdat gedaagde eigenaar is van de grondstrook en derhalve gerechtigd was tot de werkzaamheden.

Gedaagde vorderde verwijdering van bouwwerken die aan zijn garage zijn bevestigd, maar ook deze vordering is afgewezen vanwege mandeligheid van de scheidsmuur en toestemming van rechtsvoorgangers. Proceskosten zijn toegewezen aan gedaagde in conventie, terwijl in reconventie de kosten gecompenseerd zijn. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot eigendom door bevrijdende verjaring af en verklaart de kadastrale grens de juridische grens.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/592147 / HL ZA 25-109
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiseres sub 2],
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
advocaat: mr. V.O. Agterberg,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

2.
[gedaagde sub 2],
beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. L.W. van de Wetering.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [eiser sub 1] genoemd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [gedaagde sub 1] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding met dertien producties (genummerd: 1-13)
 de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met zes producties (genummerd: 1-6)
 de conclusie van antwoord in reconventie en van wijziging van eis in conventie met zes producties (genummerd: 14-19)
 de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
 de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 11 september 2025
 de ter gelegenheid van die behandeling overgelegde:
 akte overlegging producties van [gedaagde sub 1] met zes producties (genummerd: 7-12)
 pleitnota van [eiser sub 1]
 pleitnota van [gedaagde sub 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser sub 1] is eigenaar van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats] , [gedaagde sub 1] van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 2] . Het perceel van [eiser sub 1] ligt - vanaf de straatzijde gezien - rechts van het perceel van [gedaagde sub 1] . De percelen waren gescheiden door een erfafscheiding. [gedaagde sub 1] heeft die afscheiding verwijderd en - vanaf de straatzijde gezien - tien tot enkele tientallen centimeters naar rechts een nieuwe erfafscheiding geplaatst.
2.2.
De kadastrale grens loopt - vanaf de straatzijde gezien - rechts van de denkbeeldige lijn waarop de oude erfafscheiding stond. [eiser sub 1] vordert een verklaring voor recht dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen die lijn en zijn perceel. Deze vordering is niet toewijsbaar. [gedaagde sub 1] vordert een verklaring voor recht dat de kadastrale grens de juridische grens is. Deze vordering is wel toewijsbaar.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
De rechtbank heeft voor de beeldvorming een tekening van de situatie ter plaatse in dit vonnis opgenomen (zie hieronder). De tekening is een aangepaste versie van de tekening die het kadaster in 2023 heeft gemaakt [1] . De rechtbank heeft geen grond om aan de juistheid van de kadastertekening te twijfelen. De rechtbank heeft die tekening als volgt aangepast:
  • Een aantal voor de zaak irrelevante aanduidingen, veelal nummers, is verwijderd.
  • De tekening is voorzien van toelichtende teksten, zoals
  • De tekening is voorzien van een lijn waarop de oude erfafscheiding ongeveer stond (zie
3.2.
Gelet op de aangepaste kadastertekening en de stellingen van partijen kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
- Aan de straatzijde staat een poer [2] van [gedaagde sub 1] en aan de achterzijde een garage van [gedaagde sub 1] (hierna ook: de garage). De oude erfafscheiding bestond uit een haag met aansluitend een schutting en liep in een (vrijwel) rechte lijn vanaf enige centimeters rechts van de poer tot tegen de hoek rechtsvoor van de garage (zie
De oude erfafscheidingop de tekening).
  • De oude erfafscheiding heeft daar vanaf eind jaren ’80 gestaan.
  • Rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] hebben eind jaren ’90:
  • een muur van gemetselde bakstenen met een deur geplaatst tussen de hoek rechtsvoor van de garage en hun woning en
  • een dak geplaatst tussen een groot deel van de rechtermuur van de garage en hun woning.
  • Enkele jaren later hebben rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] ook een muur met deur geplaatst aan de achterzijde van het hiervoor genoemde dak, ter hoogte van de achtergevel van de woning van [eiser sub 1] , waardoor een schuurtje is ontstaan (zie
  • [eiser sub 1] is in februari 2018 eigenaar geworden van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats] , [gedaagde sub 1] in februari 2019 van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 2] .
  • [gedaagde sub 1] heeft begin 2025 de oude erfafscheiding verwijderd en op de kadastrale grens van de twee percelen de nieuwe erfafscheiding geplaatst, een schutting in een rechte lijn naar achteren tot de muur naast de garage (zie
  • De nieuwe erfafscheiding staat – vanaf de straatzijde gezien - rechts van de denkbeeldige lijn waarop de oude erfafscheiding stond, aan de achterzijde bij de garage ongeveer 10 tot 15 centimeter naar rechts en aan de voorzijde bij de poer enkele tientallen centimeters naar rechts.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen van [eiser sub 1] (in conventie) en de tegenvorderingen van [gedaagde sub 1] (in reconventie) gaan over dezelfde feiten en omstandigheden en zullen daarom samen worden beoordeeld.
[eiser sub 1] is niet door bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de strook grond
4.2.
[eiser sub 1] vordert
primaironder I een verklaring voor recht dat hij door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen de oude en de nieuwe erfafscheiding. [eiser sub 1] legt aan deze vordering, samengevat, ten grondslag dat zijn rechtsvoorgangers de strook grond vanaf eind jaren ’80 meer dan 20 jaar in bezit hebben gehad.
4.3.
De vordering moet worden afgewezen. Dit wordt als volgt nader toegelicht.
4.4.
De strook grond was eind jaren ’80, toen de oude erfafscheiding werd geplaatst, in eigendom van de rechtsvoorgangers van [gedaagde sub 1] . De kadastrale grens bevindt zich immers - van de straatzijde gezien - op enige afstand rechts van de oude erfafscheiding.
4.5.
Voor bevrijdende verjaring is vereist dat de niet-rechthebbende, in dit geval: de rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] , het goed, in dit geval: de strook grond, gedurende minimaal 20 jaar in bezit heeft gehad [3] . Van
bezitis sprake als het goed voor zichzelf wordt gehouden. Het
voor zichzelf houdenmoet blijken uit
bezitsdaden; feitelijke handelingen van de persoon in kwestie die er - ondubbelzinnig en naar buiten toe voor iedereen duidelijk - op duiden dat hij pretendeert eigenaar te zijn van het goed.
4.6.
Het beplanten en onderhouden van de strook grond en het gebruiken van een deel van de strook grond als grindpad zijn, anders dan [eiser sub 1] stelt, geen bezitsdaden. Hetzelfde geldt voor het (mee)betalen aan het aanleggen van een nieuwe haag op de plaats van de oude erfafscheiding. Een huurder van een woning met tuin bijvoorbeeld (die op grond van een huurovereenkomst
houderis van die woning met tuin) kan dezelfde soort feitelijke handelingen verrichten, maar wordt daarmee nog geen bezitter.
4.7.
Het plaatsen van de muur en het dak eind jaren ’90, (deels) op het perceel van de rechtsvoorgangers van [gedaagde sub 1] (zie tekening), kan ook niet als een bezitsdaad worden aangemerkt. Uit de verklaringen van [A] en [B] , die toen de eigenaren waren van het perceel van [gedaagde sub 1] , en de verklaring van [C] , die toen met zijn echtgenote eigenaar was van het perceel van [eiser sub 1] , kan worden afgeleid dat partijen in ieder geval overleg hebben gevoerd over het plaatsen van de muur en het dak. Overleg sluit in beginsel een bezitsdaad uit. Na overleg over het gebruik van een goed hoeft de rechthebbende niet bedacht te zijn op inbezitneming van zijn goed door de ander. Dit zou alleen anders kunnen zijn indien en voor zover de ander tijdens het overleg er blijk van heeft gegeven het goed in bezit te hebben genomen. Dat dit toentertijd het geval was, is niet door [eiser sub 1] gesteld of (uit de verklaringen van de rechtsvoorgangers) gebleken.
4.8.
Het door de rechtsvoorgangers van [gedaagde sub 1] realiseren van een poer die - vanaf de straatzijde gezien - links van de oude erfafscheiding staat en van een stenen rand die het beginpunt vormde van de oude afscheiding, zijn geen bezitsdaden in de hiervoor bedoelde zin. Deze feitelijke handelingen zijn immers handelingen van de rechtsvoorgangers van [gedaagde sub 1] , niet van de rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] .
4.9.
Het feit dat rechtsvoorgangers van [gedaagde sub 1] de oude erfafscheiding op eigen grond hebben geplaatst brengt tot slot, anders dan [eiser sub 1] meent, niet mee dat ten gunste van de rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] “afstand is gedaan” van de strook grond die zich - vanaf de straatzijde gezien - rechts daarvan bevindt. Hetzelfde geldt voor het feit dat [gedaagde sub 1] in 2024 de helft van de stammetjes van de haag heeft weggehaald. Voor overdracht van de eigendom van een strook grond is overigens meer nodig dan het doen van afstand.
De kadastrale grens is de juridische grens
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat de kadastrale grens dus de juridische grens is. De vordering onder I van [gedaagde sub 1] om voor recht te verklaren dat de kadastrale grens de juridische grens is, is dan ook toewijsbaar.
De overige primaire vorderingen van [eiser sub 1] zijn niet toewijsbaar
4.11.
[eiser sub 1] vordert
primairverder, samengevat:
  • onder 2 en 4 [gedaagde sub 1] te bevelen de erfafscheiding weer op de oorspronkelijke plaats te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en
  • onder 3 voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser sub 1] door (graaf)werkzaamheden te verrichten op de [eiser sub 1] in eigendom toebehorende strook grond.
4.12.
Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar. Zoals hiervoor is gebleken, is [eiser sub 1] niet de eigenaar van de strook grond, maar [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] kan al daarom niet verplicht worden om de erfafscheiding op de oorspronkelijke plaats te zetten. Van onrechtmatig handelen in de door [eiser sub 1] bedoelde zin kan geen sprake zijn; [gedaagde sub 1] mocht op de hem in eigendom toebehorende strook grond (graaf)werkzaamheden verrichten.
[eiser sub 1] hoeft de door hem geplaatste muren en het door hem geplaatste dak voor zover zich die boven en op de grond van [gedaagde sub 1] bevinden, niet te verwijderen
4.13.
[gedaagde sub 1] vordert onder II, samengevat, [eiser sub 1] te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis alles te verwijderen dat aan zijn garage is bevestigd, dat tegen zijn garage is geplaatst en dat zich bij de muur van zijn garage op zijn grond bevindt, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.14.
De vordering is niet toewijsbaar. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.15.
De rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] hebben eind jaren ’90 de muur en het dak geplaatst. De muur en het dak zijn - vanaf de straatzijde gezien - aan de rechtermuur van de garage van [gedaagde sub 1] bevestigd. Enkele jaren daarna is aan de achterkant een muur met deur geplaatst, ook bevestigd aan de rechtermuur van de garage, waardoor het schuurtje van [eiser sub 1] is ontstaan.
4.16.
Het gemeenschappelijk deel van de rechtermuur van de garage is de scheidsmuur van de garage van [gedaagde sub 1] en het schuurtje van [eiser sub 1] en daarmee mandelig (gemeenschappelijk eigendom) in de zin van artikel 5:62 lid 2 BW Pro. Mandeligheid treedt direct in zodra een (deel van een) muur de scheidsmuur tussen twee (bouw)werken wordt. Een persoon kan onrechtmatig handelen als hij (een deel van) een muur mandelig maakt zonder toestemming van de eigenaar van die muur. In dit geval is daar geen sprake van geweest. [gedaagde sub 1] stelt immers dat zijn rechtsvoorgangers [B] en [A] toestemming hebben gegeven voor het plaatsen van de muur aan de voorkant en het dak.
4.17.
[gedaagde sub 1] stelt dat die toestemming niet tussen partijen geldt en dat hij daarom als eigenaar recht heeft op de vrije en volledige beschikking over de rechtermuur van zijn garage en over zijn grond bij die muur. Deze stelling gaat niet op. Het (bouw)werk is volgens [gedaagde sub 1] met toestemming van de toenmalige eigenaren van de garage gerealiseerd. [eiser sub 1] heeft belang bij handhaving van het (bouw)werk. Onder deze omstandigheden is het aan [gedaagde sub 1] om een voldoende zwaarwegend belang te stellen bij opeising van zijn eigendom. [gedaagde sub 1] heeft dat niet gedaan. De stelling dat hij wil voorkomen dat een eventuele vordering tot verwijdering verjaart, heeft hij onvoldoende onderbouwd.
De subsidiaire vorderingen van [eiser sub 1] zijn niet toewijsbaar
4.18.
[eiser sub 1] vordert
subsidiaironder 1, 2 en 3, samengevat, voorwaardelijk, namelijk voor het geval de vordering onder I van [gedaagde sub 1] toewijsbaar is, te bepalen dat aan hem een erfdienstbaarheid wordt verleend waarbij, zo begrijpt de rechtbank, [gedaagde sub 1] moet dulden dat [eiser sub 1] gebruik maakt:
  • van de strook grond tussen de oude en de nieuwe erfafscheiding en
  • van de grond van [gedaagde sub 1] waarop een deel van het schuurtje van [eiser sub 1] staat,
tegen betaling van een schadeloosstelling ter hoogte van € 0,00, en dat [gedaagde sub 1] aan vastlegging en registratie van die erfdienstbaarheid in de daartoe bestemde registers moet meewerken, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.19.
De vordering onder I van [gedaagde sub 1] is, zoals hiervoor is gebleken, toewijsbaar. De hiervoor vermelde voorwaarde is dus vervuld.
4.20.
De subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.21.
[eiser sub 1] legt aan zijn vordering artikel 5:54 BW Pro ten grondslag. Op grond van dat artikel kan een eigenaar van een (bouw)werk dat deels op of boven het erf van een ander is gebouwd vorderen dat hem een erfdienstbaarheid wordt verleend tot het handhaven van de bestaande toestand. Voor toewijzing van die vordering geldt de eis dat de eigenaar van het (bouw)werk bij verwijdering van het overstekende deel onevenredig veel zwaarder zou worden benadeeld dan de eigenaar van het erf.
4.22.
Artikel 5:54 BW Pro kan in ieder geval niet worden toegepast voor de strook grond, de grond tussen de oude en de nieuwe erfafscheiding. Bij de strook grond is geen sprake van een overstekend deel van een (bouw)werk. Verder bestaat de toestand die naar de mening van [eiser sub 1] met een erfdienstbaarheid moet worden gehandhaafd, namelijk het gebruik van de strook grond door [eiser sub 1] , niet meer. [gedaagde sub 1] heeft immers vanaf begin februari 2025 het gebruik van de strook grond.
4.23.
Artikel 5:54 BW Pro kan ook niet worden toegepast voor de grond van [gedaagde sub 1] waarop een deel van het schuurtje van [eiser sub 1] staat. [eiser sub 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij bij verwijdering van het overstekende deel van het (bouw)werk onevenredig veel zwaarder zou worden benadeeld dan [gedaagde sub 1] als eigenaar van de grond. Het enkele feit dat hij, zoals hiervoor overwogen, belang heeft bij handhaving van het (bouw)werk, kan dat niet anders maken.
4.24.
[eiser sub 1] verzoekt (naar de rechtbank begrijpt: vordert)
subsidiairte bepalen dat de verwijderingsvordering van [gedaagde sub 1] en de verplaatsing van de juridische grens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
4.25.
Deze vordering moet ook worden afgewezen. [eiser sub 1] heeft geen rechtens te respecteren belang bij toewijzing van de vordering. Zoals hiervoor is gebleken, is de verwijderingsvordering, de vordering onder II van [gedaagde sub 1] , niet toewijsbaar en is de juridische grens niet verplaatst.
De door [gedaagde sub 1] gevorderde kadasterkosten zijn niet toewijsbaar
4.26.
[gedaagde sub 1] vordert onder III vergoeding van € 460,- aan kadasterkosten. Deze vordering is niet toewijsbaar. [gedaagde sub 1] stelt in dit verband dat hij het kadaster heeft ingeschakeld om de kadastrale grens te bepalen, zodat de nieuwe erfafscheiding precies op die grens zou worden geplaatst. Uit deze stelling volgt niet dat [eiser sub 1] de kadasterkosten verschuldigd is geworden.
[eiser sub 1] moet de proceskosten in conventie betalen
4.27.
De vorderingen van [eiser sub 1] in conventie zijn niet toewijsbaar. [eiser sub 1] moet in conventie dan ook als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00
De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd
4.28.
De vorderingen van [gedaagde sub 1] in reconventie zijn deels toewijsbaar en deels niet. De proceskosten worden gelet daarop gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] af,
5.2.
veroordeelt [eiser sub 1] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser sub 1] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat de kadastrale grens tussen de percelen [plaats] [letter] [nummeraanduiding 3] en [plaats] [letter] [nummeraanduiding 4] de juridische grens is,
5.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
4206

Voetnoten

1.Als productie 5 door [gedaagde sub 1] overgelegd.
2.In dit geval een massieve pilaar van gemetselde bakstenen waaraan een hek is bevestigd.
3.Artikel 3:105 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 3:314 lid 2 en Pro 3:306 BW.