ECLI:NL:RBMNE:2026:1239

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
11649005 \ AC EXPL 25-979
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:230l BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling aannemingsfacturen en sanctie wegens schending informatieplicht consument

De zaak betreft een geschil tussen een aannemersbedrijf en een consument over de betaling van twee facturen voor werkzaamheden aan badkamers en timmerwerk aan twee appartementen. De consument had al een deel van de facturen betaald, maar weigerde de resterende bedragen te voldoen. De kantonrechter beoordeelde eerst de aanneemovereenkomst voor de badkamers, waarbij werd vastgesteld dat partijen een vaste aanneemsom waren overeengekomen. De consument had echter al meer betaald dan de vaste aanneemsom, waardoor een deel van de vordering werd afgewezen en verrekend.

Voor het timmerwerk was geen vaste prijs overeengekomen, maar een regieovereenkomst zonder richtprijs. De kantonrechter oordeelde dat de factuur voor het timmerwerk een redelijke vergoeding betrof en dat de consument onvoldoende had onderbouwd welke werkzaamheden niet waren verricht. De consument werd veroordeeld tot betaling van het restantbedrag van €2.000,56, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.

Daarnaast werd vastgesteld dat de aannemer zijn informatieplicht jegens de consument had geschonden door onvoldoende te informeren over de prijs en wijze van berekening. Dit leidde tot een sanctie van 20% vermindering van de betalingsverplichting uit hoofde van de regieovereenkomst. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens het ontbreken van een correcte aanmaning. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Consument wordt veroordeeld tot betaling van €2.000,56 met wettelijke rente, met een sanctie van 20% wegens schending informatieplicht en proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11649005 \ AC EXPL 25-979 RvdH/1037
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. N. Lubach.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [gedaagde] met producties 5 en 6,
- de akte van [eiseres] met productie 14,
- de mondelinge behandeling van 22 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte na mondelinge behandeling van [gedaagde] ,
- de akte na mondelinge behandeling van [eiseres] met producties 14 tot en met 16,
- de akte uitlaten producties van [gedaagde] .

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] is een aannemersbedrijf. [gedaagde] heeft haar ingeschakeld om werkzaamheden te verrichten aan twee appartementen. De werkzaamheden zagen op twee badkamers en timmerwerk aan de binnen- en buitenkant van de appartementen. [gedaagde] heeft al een deel van de facturen van [eiseres] betaald, maar twee facturen nog niet. De kantonrechter beoordeelt of [gedaagde] die twee facturen aan [eiseres] moet betalen.
3. De beoordeling
[eiseres] vordert betaling van twee facturen
3.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben twee overeenkomsten gesloten: één voor de badkamers en één voor (kort gezegd) het timmerwerk. [gedaagde] heeft twee facturen onbetaald gelaten:
- factuur 2024-270 van 21 augustus 2024 van € 7.663,34 inclusief btw [1] die ziet op het timmerwerk tot en met week 30, en
- factuur 2024-298 van 19 september 2024 van € 8.292,51 die ziet op de badkamers.
3.2.
[eiseres] vordert betaling van die twee facturen minus een correctie van € 1.531,09, [2] te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 27 maart 2025 en de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 919,26. De kantonrechter gaat eerst in op de factuur voor de badkamers en daarna op die voor het timmerwerk.
De aanneemovereenkomst voor de badkamers (factuur 2024-298)
Partijen zijn een vaste aanneemsom overeengekomen
3.3.
Voordat kan worden beoordeeld of [gedaagde] factuur 2024-298 aan [eiseres] moet betalen, moet worden vastgesteld wat partijen hebben afgesproken over de prijs voor de werkzaamheden aan de badkamers. De kantonrechter stelt vast dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.4.
[eiseres] heeft toegelicht dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor de realisatie van twee badkamers en dat zij daarvoor een prijs zijn overeengekomen van € 8.600,00 exclusief btw. [3] Dit is door [gedaagde] niet (gemotiveerd) betwist. [4] [gedaagde] is akkoord gegaan met het volgende voorstel. [5]
3.5.
In tegenstelling tot in de eerdere offerte [6] heeft [eiseres] in het hiervoor getoonde voorstel niet genoemd welke posten
nietonder de aanneemsom vallen. Zij heeft bovendien eerder uitgezonderde posten (leveren tegels en afmonteren sanitair) toegevoegd aan de aanneemsom. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] € 10.406,00 aan [eiseres] zou betalen voor de realisatie van twee badkamers, bestaande uit het tegelwerk (arbeid en materiaal), de cementdekvloeren (arbeid en materiaal), de hardsteendorpels, het stellen/aansluiten van het bad, de wediplaat en de douchedrains in die badkamers.
[gedaagde] heeft de vaste aanneemsom voor de badkamers al betaald
3.6.
Voor de badkamers heeft [eiseres] eerder twee facturen in rekening gebracht en [gedaagde] heeft die betaald, het betreft:
  • de factuur met nummer 2024-234 van 9 juli 2024 met een totaalbedrag van € 8.723,50, en
  • de factuur met nummer 2024-264 van 25 juli 2024 met een totaalbedrag van € 2.843,50.
3.7.
In factuur 2024-234 staat als omschrijving ‘tegelwerk badkamer’ vermeld en er wordt voor een specificatie verwezen naar een bijlage. Hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [eiseres] de bijlage met de specificatie niet overgelegd. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de kosten die in deze factuur in rekening worden gebracht, vallen onder de vaste aanneemsom voor de badkamers. In dat geval hoeft [eiseres] de gemaakte kosten ook niet nader te specificeren. Een overeengekomen vaste prijs brengt immers mee dat de aannemer de kosten van de uitvoering van de opdracht en daarmee (in beginsel) het risico van financiële tegenvallers draagt. Daartegenover staat dat de aannemer in staat is winst te maken als de opbrengst van de transactie hoger is dan de kosten van de uitvoering ervan.
3.8.
Factuur 2024-264 ziet op de cementdekvloer (arbeid en materiaal), twee keer bad stellen, wediplaat aansluiten en twee keer douchedrains stellen en aansluiten. Deze posten zijn allemaal onderdeel van de vaste aanneemsom (zie 3.5).
3.9.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] al € 11.567,00 (= € 8.723,50 + € 2.843,50) van de vaste aanneemsom voor de badkamers heeft betaald. Dat betekent dat [gedaagde] na betaling van deze twee facturen al € 1.161,00 te veel (en dus onverschuldigd) heeft betaald voor de badkamers. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op verrekening van te veel betaalde posten met wat hij eventueel nog verschuldigd is. Dit bedrag wordt daarom verrekend met de resterende vordering van [eiseres] .
3.10.
Factuur 2024-298, waarvan [eiseres] betaling vordert, heeft ook deels betrekking op de badkamer. De posten arbeid en materiaal tegelwerk badkamers (totaal € 7.260,00) op deze factuur vallen volgens [eiseres] óók onder de vaste aanneemsom voor de badkamers. Dit betekent dat er geen sprake is van meerwerk. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De grondslag voor het in rekening brengen van een bedrag dat de vaste aanneemsom overschrijdt, ontbreekt. Dit deel van de vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen.
3.11.
Van de factuur 2024-298 horen de posten “ [onderneming] ” (totaal € 319,39) en parkeerkosten, huur ladderlift en arbeid timmerman week 35 (totaal € 410,61) bij de timmerwerkzaamheden en zullen daar worden besproken.
3.12.
Partijen zijn het erover eens dat de hardstenen dorpels voor de badkamers (€ 250,00 exclusief btw) niet zijn geleverd, terwijl deze wel waren overeengekomen. [gedaagde] hoeft die daarom niet te betalen. [eiseres] heeft € 1.531,09 in mindering gebracht op het totaal van de facturen waarvan hij betaling vordert. [7] De hardstenen dorpels vallen onder die correctie. Deze kosten zijn dus onverschuldigd betaald en ook deze kosten zullen worden verrekend met de vordering van [eiseres] . [eiseres] heeft niet toegelicht welke posten nog meer onder die correctie vallen. De kantonrechter gaat ervan uit dat het overige deel van de correctie betrekking heeft op de timmerwerkzaamheden. Dat betekent dat er op factuur 2024-270, welke nog wordt besproken, in ieder geval een correctie van € 1.228,59 (= € 1.531,09 -/- € 302,50 prijs dorpels inclusief btw) wordt toegepast.
[eiseres] is geen schadevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd
3.13.
[gedaagde] voert aan dat een deel van de werkzaamheden in de badkamers niet goed zou zijn verricht en stelt zich daarmee kennelijk op het standpunt dat [eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming van de afspraken en dat [gedaagde] daardoor schade heeft geleden.
3.14.
[gedaagde] heeft toegelicht dat [eiseres] (in elk geval) is tekortgeschoten door de tegels in de badkamer niet op de juiste wijze te plaatsen. [eiseres] heeft dit betwist en verwezen naar de impressie. Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat [gedaagde] de wijze waarop de tegels tegen het bad zijn geplaatst, ten opzichte van de tegels op de muur, niet heel mooi vindt, is uit de overgelegde impressie van de badkamer niet af te leiden dat [eiseres] is tekortgeschoten. De dunne streepjes tegel boven het bad en naast de deur zouden volgens [gedaagde] niet in overeenstemming zijn met de impressie, maar zijn op de impressie wel ingetekend. Verder zou [eiseres] te veel tegels hebben versneden, althans zouden er tegels verdwenen zijn, zouden de nissen niet goed zijn uitgevoerd en zou de drain in de vloer niet op de juiste wijze zijn geplaatst. [gedaagde] heeft dit niet verder niet toegelicht. Tot slot is door [gedaagde] aangevoerd dat ten onrechte vloertegels zijn gebruikt voor de wand. [eiseres] heeft opgemerkt dat hij een voorstel heeft gedaan dit op te lossen, waarmee [gedaagde] niet akkoord zou zijn gegaan.
3.15.
[gedaagde] heeft niet concreet gemaakt welke schade hij door het tekortschieten van [eiseres] zou hebben geleden. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] een vordering heeft die hij met de vordering van [eiseres] kan verrekenen.
De aanneemovereenkomst voor het timmerwerk (factuur 2024-270)
3.16.
Volgens beide partijen zijn er afspraken gemaakt over het verrichten van diverse timmerwerkzaamheden, zonder dat daarbij een vaste prijs is afgesproken. De vraag is of [eiseres] en [gedaagde] wel een richtprijs zijn overeengekomen (zoals [gedaagde] stelt) of dat de timmerwerkzaamheden op basis van regie zouden worden uitgevoerd. De kantonrechter stelt vast dat partijen een regieovereenkomst hebben gesloten, zonder richtprijs. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Uitgangpunten bij de beoordeling: uitleg overeenkomst en betekenis richtprijs
3.17.
Om vast te stellen wat partijen zijn overeengekomen, is uitleg van de overeenkomst nodig. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst, die in dit geval bestaat uit verschillende lijsten met werkzaamheden en e-mails. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. [8] Hierbij speelt ook een rol om wat voor partijen het gaat. De ene partij heeft bijvoorbeeld veel ervaring met het sluiten van bepaalde overeenkomsten, de andere doet dat bijna nooit. Dat alles moet bij de uitleg van een overeenkomst worden betrokken. Bovendien is niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst van belang. Ook wat partijen na het sluiten van de overeenkomst gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wat partijen zijn overeengekomen. [9]
3.18.
Een richtprijs is in principe niets anders dan een aanneemsom met een marge. [10] Een prijsindicatie kan het karakter hebben van een richtprijs, maar dat hoeft niet. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een richtprijs moet een ruimte interpretatie worden gehanteerd. Die interpretatie kan evenwel niet zo ruim zijn dat een bedrag dat wordt genoemd op een moment dat nog niet duidelijk is welke werkzaamheden verricht moeten worden, heeft te gelden als een richtprijs. De werkzaamheden waarop de richtprijs betrekking heeft, moeten voldoende zijn gespecificeerd. [11]
De feitelijke gang van zaken bij de totstandkoming van de afspraken
3.19.
Over de totstandkoming van de eerste afspraken hebben partijen verklaard dat [gedaagde] aan [eiseres] een lijst met werkzaamheden (lijst 1 van 20 juni 2024) heeft gegeven die verricht moesten worden. Deze lijst gaat alleen over werkzaamheden aan de binnenzijde van de woning, zoals partijen ter zitting hebben verklaard en ook uit de lijst zelf. [gedaagde] heeft ter zitting opgemerkt dat wel bij aanvang van de werkzaamheden al duidelijk was dat er ook werkzaamheden aan de buitenzijde verricht zouden moeten worden.
3.20.
[eiseres] heeft [gedaagde] op 24 juni 2024 een e-mail [12] gestuurd en ten aanzien van de ‘diverse timmerwerkzaamheden’ – dan alleen nog aan de binnenzijde van de appartementen – het volgende ‘voorstel’ gedaan:
‘Mijn indicatie is dat 2 timmerlieden 4 dagen nodig hebben om de werkzaamheden volgens de lijst af te werken. Te verwachten kosten exclusief materiaal bedraagt dan: € 3.520,00 exclusief btw. Deze werkzaamheden zullen we op nacalculatie uitvoeren.’. [eiseres] heeft onbetwist toegelicht dat hij de prijsindicatie heeft gegeven op basis van lijst 1, zonder dat het werk volledig in beeld was.
3.21.
Na aanvang van de werkzaamheden bracht [gedaagde] nieuwe lijsten in (lijst 2 van 1 juli 2024, lijst 3 van 8 juli 2024 en lijst 4 van 15 juli 2024). Op die lijsten kwamen nadere werkzaamheden te staan, maar kwamen ook werkzaamheden van eerdere lijsten terug als die nog niet of niet volledig waren uitgevoerd. Voor de werkzaamheden die op of na 1 juli 2024 aan de lijsten werden toegevoegd, is door [eiseres] geheel geen prijs genoemd en is dus ook geen (richt)prijs overeengekomen.
3.22.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [eiseres] (onder meer) timmerwerk aan de buitenzijde heeft verricht: multiplex lijsten en kroonlijst aan voorzijde, plaatsing balken, betimmering voor de goot, aanbrengen folie. Op zitting heeft [gedaagde] verklaard dat dit het meeste werk was. [gedaagde] heeft ook erkend hiervoor een prijs verschuldigd te zijn, maar wel een reëel bedrag. Beide partijen hebben op de zitting ook verklaard dat werkzaamheden aan het plafond zijn toegevoegd aan de opdracht.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een regieovereenkomst gesloten, zonder richtprijs
3.23.
[gedaagde] stelt dat een richtprijs is overeengekomen en beroept zich op het gevolg daarvan dat hij niet (veel) meer dan die prijs hoeft te betalen. Omdat [gedaagde] zich op de gevolgen van het bestaan van de richtprijs beroept, rust de bewijslast van de stelling dat er een richtprijs is overeengekomen, op [gedaagde] . Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een richtprijs heeft [gedaagde] gewezen op de prijsindicatie en urenindicatie die door [eiseres] is gegeven in de e-mail van 24 juni 2024. Daarnaar gevraagd wist [gedaagde] echter niet uit te leggen wat bedoeld werd met de zin dat de werkzaamheden verricht zouden worden op basis van nacalculatie. Daar komt bij dat uit zijn Whatsapp-berichten moet worden afgeleid dat [gedaagde] wist dat er op nacalculatie (regiebasis) werd gewerkt. Zo zegt hij op 2 juli 2024:
‘Niet duidelijk is de voortgang. Graag elke dag kort verslag van wat er van de lijst klaar is en met hoeveel man er gewerkt is.’en
‘Fijn dat je morgen gaat, […]. Ik wil weten wat er dagelijks gedaan wordt. Ik wil niet dat de kosten uit de hand lopen.’ [13]
3.24.
Uit het voorgaande ontstaat het beeld dat partijen met elkaar in gesprek zijn gegaan op basis van lijst 1 en dat de opdracht daarna is uitgebreid. [eiseres] kon daardoor op basis van lijst 1 op 24 juni 2024 geen richtprijs voor alle timmerwerkzaamheden aan de binnen- én buitenzijde van de appartementen geven. De opmerking van [eiseres] dat de werkzaamheden op nacalculatie zullen worden verricht, moet in dat licht worden gelezen. [gedaagde] kon bovendien door de wijze waarop de opdracht zich gaandeweg heeft uitgebreid niet verwachten dat het bedrag van € 3.520,00 exclusief btw zag op alle werkzaamheden en materialen voor het timmerwerk. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat partijen een regieovereenkomst, zonder richtprijs, hebben gesloten.
Factuur 2024-270 ziet op een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden
3.25.
Aangezien geen vaste prijs is overeengekomen, is [gedaagde] een redelijke prijs verschuldigd voor de werkzaamheden die [eiseres] heeft verricht. [eiseres] heeft de factuur (2024-270) waarvan hij betaling vordert, onderbouwd met een specificatie die past bij de specificaties van de eerder toegezonden e-mail en de betaalde factuur. De indicatie die [eiseres] heeft afgegeven zag op 2 man x 4 dagen werk. Uitgaande van werkdagen van 8 uur komt dat neer op een uurtarief van € 55,00 exclusief btw. Volgens de specificatie van de laatste factuur is een gemiddeld uurtarief in rekening gebracht van (€ 5.913,50 : (40 + 21 + 21 + 29) =) € 53,27. De kosten komen de kantonrechter (daardoor) niet onredelijk voor. De stelling van [gedaagde] dat hij het – achteraf – niet waard vindt, is onvoldoende om te oordelen dat de kosten niet redelijk zijn.
Het verweer van [gedaagde] tegen de omvang van factuur 2024-270 slaagt niet
3.26.
[gedaagde] heeft betwist de volledige kosten verschuldigd te zijn, omdat niet alle werkzaamheden verricht zouden zijn. [gedaagde] heeft echter niet onderbouwd welke werkzaamheden dan niet verricht zouden zijn en welke waarde die werkzaamheden vertegenwoordigen. Gelet op de onderbouwing van de werkzaamheden door [eiseres] met specificaties en urenstaten, had dit van [gedaagde] wel verwacht mogen worden. Omdat [gedaagde] daarmee zijn betwisting onvoldoende heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter voorbij aan dit argument.
[gedaagde] heeft voor de timmerwerkzaamheden niets onverschuldigd betaald
3.27.
[gedaagde] voert ook aan dat hij ‘al te veel heeft betaald’, onder meer omdat [eiseres] te veel uren in rekening zou hebben gebracht. Aangezien [gedaagde] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij al te veel heeft betaald – hij heeft een vordering uit onverschuldigde betaling die hij kan verrekenen met de vordering van [eiseres] op hem – ligt het op de weg van [gedaagde] de nodige feiten te stellen en zo nodig te onderbouwen en bewijzen.
3.28.
[eiseres] heeft de volgende facturen verzonden:
Datum
Nummer
Totaalbedrag
Onderdeel
Status
9 juli 2024
2024-234
€ 8.723,50
Badkamers: zie 3.7
Betaald
25 juli 2024
2024-263
€ 11.338,69
Timmerwerk, zie 3.29
Betaald
25 juli 2024
2024-264
€ 2.843,50
Badkamers, zie 3.8
Betaald
21 augustus 2024
2024-270
€ 7.663,34
Timmerwerk
Minus correctie, te betalen, zie 3.35
19 september 2024
2024-298
€ 8.292,51
Deels badkamers, deels timmerwerk. zie 3.9
Deels niet verschuldigd, zie 3.9
3.29.
De kantonrechter heeft onder 3.9 geoordeeld dat [gedaagde] voor de badkamers € 1.161,00 te veel (en dus onverschuldigd) heeft betaald en dat dit bedrag moet worden verrekend met de resterende vordering van [eiseres] . Ten aanzien van de overige facturen overweegt de kantonrechter als volgt.
3.30.
Op factuur 2024-263 van 25 juli 2024 staat ‘tegelwerk twee badkamers’ vermeld, maar dit is volgens [eiseres] niet de juiste omschrijving. Volgens [eiseres] ziet deze factuur op de (regie)overeenkomst voor de timmerwerkzaamheden en wist [gedaagde] dat toen hij die factuur betaalde. [eiseres] verwijst in dat kader naar een Whatsapp-gesprek van 12 augustus 2024 waarin [gedaagde] zegt:
‘Ik zag toen de factuur met de tekst: “tegelwerk […] [adres] in [plaats] . Vandaag nogmaals goed gekeken en ik zag, dat het om de […] timmerwerk en geleverd materiaal. Ik zal deze factuur betalen.’. [gedaagde] erkent – naar aanleiding van dit Whatsapp bericht – dat hij bekend was met de factuur en dat hij die heeft betaald. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat factuur 2024-263 ziet op de regieovereenkomst.
3.31.
[eiseres] heeft een specificatie van de werkzaamheden (inclusief urenbriefjes) die met factuur 2024-263 in rekening zijn gebracht, overgelegd. [gedaagde] betwist de juistheid van de uren en stelt daarbij dat [B] in week 28 en 29 een aantal uren aan de badkamers heeft gewerkt en dat er dus met factuur 2024-263 niet alleen timmerwerkzaamheden, maar ook werkzaamheden aan de badkamers (de cementdekvloer) in rekening gebracht. De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet, omdat de urenbriefjes niet één-op-één zijn overgenomen op de specificatie bij de factuur. Daarop is namelijk gemeld dat de uren besteed aan de cementdekvloeren zijn uitgezonderd.
3.32.
Voor de overige stellingen van [gedaagde] over de wijze waarop de uren zijn besteed en gespecificeerd, overweegt de kantonrechter dat deze stellingen niet zijn onderbouwd en onvoldoende concreet zijn. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de bij factuur 2024-263 in rekening gebrachte kosten en werkzaamheden. [gedaagde] heeft te weinig aangevoerd om vast te kunnen stellen dat hij van factuur 2024-263 een deel onverschuldigd heeft betaald of om nog toe te worden gelaten tot het leveren van bewijs.
[gedaagde] moet factuur 2024-270 en een deel van 2024-298 betalen
3.33.
Factuur 2024-270 ziet volgens de specificatie op werkzaamheden en materialen tot en met week 30, die voornamelijk betrekking hebben op het werk aan de buitenzijde van de appartementen. [gedaagde] betwist in zijn algemeenheid de juistheid van de specificaties die [eiseres] heeft overgelegd, maar dat is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat die niet deugen. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de bij factuur 2024-270 in rekening gebrachte kosten en werkzaamheden.
3.34.
Zoals genoemd onder 3.11 zijn op factuur 2024-298 de posten “ [onderneming] ” (totaal € 319,39) en parkeerkosten, huur ladderlift en arbeid timmerman week 35 (totaal € 410,61) opgenomen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat deze kosten in het kader van de regieovereenkomst voor de timmerwerkzaamheden zijn gemaakt. Daarom worden die toegewezen.
3.35.
Al het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde] voor de timmerwerkzaamheden in beginsel factuur 2024-270 en de posten op factuur 2024-298, samen € 8.393,34 [14] nog moet betalen, minus de resterende correctie van € 1.228,59 (zie 3.12), wat neerkomt op een bedrag van € 7.164,75, met inachtneming van het volgende.
[eiseres] heeft haar informatieplicht geschonden: sanctie van 20%
3.36.
[gedaagde] is een consument. Hij handelde bij het aangaan van de overeenkomst met [eiseres] niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Dat [gedaagde] vanwege zijn werk, verstand zou hebben van bouw- en aanneemzaken, doet daaraan niet af.
3.37.
Als de opdrachtgever een consument is, moet de aannemer hem voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op een duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over de totale prijs van het werk, of als de prijs door de aard van de dienst niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend.
3.38.
Welke informatieplichten gelden, is afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter heeft begrepen dat [eiseres] eerst langs is geweest bij [gedaagde] en de overeenkomsten daarna via e-mail en whatsapp tot stand zijn gekomen. Daarmee is naar het oordeel sprake van een zogenaamde ‘overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte’. Daarop zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing.
3.39.
Uit de door [eiseres] overgelegde stukken en de toelichting daarop leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst moet hebben beschikt over de essentiële informatie. Alleen met betrekking tot de prijs, althans de wijze van berekening en over de wijze van betaling heeft [eiseres] niet voldoende geïnformeerd. [15] Gelet op de in deze zaak geconstateerde schending(en) en de ernst daarvan vermindert de kantonrechter, onder verwijzing naar de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, [16] de betalingsverplichting van [gedaagde] uit hoofde van de regieovereenkomst met 20%.
3.40.
De kantonrechter gaat hierbij uit van het totaalbedrag dat [eiseres] voor de regieovereenkomst in rekening heeft gebracht, omdat de informatieplicht ziet op de gehele regieovereenkomst en de sanctie ertoe leidt dat die overeenkomst partieel wordt vernietigd.
Het totaalbedrag (na toepassing van door [eiseres] gestelde correctie) is € 18.503,44. [17] De omvang van de betalingsverplichting bedraagt na toepassing van de sanctie nog € 14.802,75 (80% van € 18.503,44). Daarvan heeft [gedaagde] al € 11.338,69 [18] betaald, waardoor er € 3.464,06 resteert.
[gedaagde] moet nog € 2.000,56 betalen voor timmerwerk
3.41.
Na verrekening van de door [gedaagde] onverschuldigd betaalde bedragen van € 1.161,00 (zie 3.9) en € 302,50 (zie 3.12) resteert door [gedaagde] aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 2.000,56. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [eiseres] .
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen vanaf de dag van de dagvaarding
3.42.
Omdat [gedaagde] de factuur niet op tijd heeft betaald, is hij over dit bedrag de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd met ingang van de datum van de dagvaarding (12 april 2025). [eiseres] vordert de rente vanaf 27 maart 2025, maar heeft niet toegelicht waarom. De wettelijke handelsrente is evenmin toewijsbaar, omdat [gedaagde] een consument is.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
3.43.
De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking. Er is namelijk niet gebleken dat aan [gedaagde] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
Proceskosten
3.44.
Hoewel [eiseres] een procedure moest starten om [gedaagde] tot betaling van (een deel van) haar vorderingen te bewegen, volgt uit het voorgaande ook dat [gedaagde] niet geheel onterecht heeft geweigerd om de facturen van [eiseres] volledig te betalen. Omdat partijen daardoor over en weer op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat elke partij de eigen kosten moet dragen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.45.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.000,56 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 12 april 2025 tot de voldoening;
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Tenzij anders vermeld, zijn alle hierna genoemde bedragen inclusief 21% btw (zoals toegepast op de facturen).
2.Zie rn. 27 van de dagvaarding.
3.Dit is € 10.406,00 inclusief btw.
4.Zie o.a. rn. 3.3 van de conclusie van antwoord.
5.Per e-mail verstuurd door [eiseres] op 24 juni 2024 om 18:44 uur (zie productie 3 bij de dagvaarding).
6.Per e-mail verstuurd door [eiseres] op 24 juni 2024 om 10:04 uur (zie productie 3 bij de dagvaarding).
7.Zie rn. 27 van de dagvaarding.
8.Dit is verkort weergegeven wat de Hoge Raad heeft bepaald in HR 13 maart 1981,
9.Dit is door de Hoge Raad bepaald: HR 12 oktober 2012,
10.RvA 18 september 1998, nr. 19.853.
11.Hof Amsterdam 28 juli 2015, ECLI:GHAMS:2015:3076, r.o. 3.5.
12.Productie 3 bij de dagvaarding.
13.Productie 14 van [gedaagde] .
14.€ 7.663,34 + € 319,39 + € 410,61.
15.Artikel 6:230l sub c en d BW.
16.Te raadplegen op www.rechtspraak.nl.
17.€ 11.338,69 uit hoofde van factuur 2024-263 plus € 7.164,75 uit hoofde van factuur 2024-270 en 2024-298.
18.Met de betaling voor factuur 2024-263. Waarvan een deel onverschuldigd en dat wordt hierna verrekend.